Straf voor Serviër verdeelt rechters

De Bosnische Serviër Miroslav Deronjic is gisteren door het Joegoslavië-tribunaal veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaar wegens misdaden tegen de menselijkheid, gepleegd in mei 1992 tegen dorpelingen in en rond de Bosnische plaats Bratunac.

Eén van de drie rechters in deze zaak, Wolfgang Schomburg, had een afwijkende opvatting en wenste een langere straf. Tien jaar is gezien Deronjic' misdaden relatief laag. De Bosnische Serviër heeft schuld bekend en werkt met de aanklagers mee. Deronjic leidde in 1992 de etnische zuivering op het dorpje Glogova waarbij 64 moslims werden gedood en honderden verdreven.

De straf van tien jaar is overeenkomstig de eis van de aanklagers. Rechter Wolfgang Schomburg noemde Deronjic' misdaden ,,een klassiek geval van etnische zuivering''. Schomburg, voorzitter van de drie magistraten in deze zaak, zei dat hij het over de straf niet eens was met de andere twee rechters, Carmel Agius uit Malta en Florence Mumba uit Zambia. Schomburg stelde dat Deronjic voor deze misdaden minstens twintig jaar cel had moeten krijgen; nu is de 49-jarige Bosnische-Serviër waarschijnlijk over zes jaar en acht maanden weer op vrije voeten. De straf is niet in de geest van dit tribunaal, volgens Schomburg.

De ex-politicus Deronjic is een belangrijke getuige voor de aanklagers. Hij getuigde onder meer in de rechtszaken van Slobodan Miloševic, Momir Nikolic en Radislav Krstic verwacht wordt dat hij in nog meer rechtszaken zal getuigen.

Deronjic werd in 2002 gearresteerd en ontkende aanvankelijk alle aanklachten tegen hem. Maar in september vorig jaar sloot hij een akkoord met de aanklagers. De aanklagers lieten punten uit de aanklacht vallen. Deronjic werd door de leider van de Bosnische Serviërs, Radovan Karadzic, geprezen om zijn aanpak van de etnische zuiveringen rond Bratunac.