Groot verschil moeder en dochter

Toen bekend werd dat een remonstrantse vrouw zou voorgaan in de uitvaart van Juliana, waren orthodoxe christenen er al bang voor: het werd gisteren een vrijzinnige kerkdienst.

Zoals haar moeder, koningin Wilhelmina, een krachtige stem had in de opzet en de inhoud van haar uitvaartdienst, op 8 december 1962, zo heeft ook koningin Juliana haar eigen stempel gezet op de kerkdienst gisteren in de Nieuwe Kerk in Delft. Vergelijking van de twee diensten levert overeenkomsten op, maar laat ook grote verschillen zien tussen moeder en dochter.

Wat betreft de bedoeling van de uitvaartdienst citeerde dominee Welmet Hudig gisteren deze woorden van Juliana: ,,Het moet bij de afscheidsdienst over vrede gaan. Vrede tussen mensen, rassen en volken. En dat mensen niet bang moeten zijn voor de dood.'' De eerste woorden van de preek van hofpredikant ds. J.F. Berkel bij de bijzetting van Wilhelmina waren: ,,Deze dienst moet naar het uitdrukkelijk verlangen van prinses Wilhelmina een getuigenis zijn van Gods leiding in ons leven en van de overwinning door Jezus Christus de Heer.''

Wilhelmina zag het vooral na haar abdicatie in 1948 als haar taak, in de woorden van ds. Berkel, ,,het evangelie van Christus aan iedereen bekend te maken [...] dat een verdoolde wereld de rechte weg gewezen moet worden naar het vaderhart Gods''. Juliana stelde, gisteren in de woorden van ds. Hudig, ,,dat er vele wegen leiden naar de ene God''. Zij werd daarbij niet alleen geïnspireerd door het christendom, maar evenzeer door oosterse, mystieke wijsheid en het joodse en het islamitische denken. Verder kwam ze via haar dochters in aanraking met moderne spirituele stromingen. Vooral in de zegening van de kist, waarbij de aanwezigen werden uitgenodigd hun intenties aan de overledene mee te geven, kwam dat laatste tot uitdrukking.

In 1962 bestond er in Nederland een breed gedeelde christelijke orthodoxie. Over God werd binnen en buiten de kerk met vrijmoedigheid en stelligheid gesproken. Wilhelmina's grote voorbeeld was Willem de Zwijger, die zich in de Tachtigjarige Oorlog een ,,werktuig in Gods hand ten dienste van zijn volk'' wist. Vooral door de bezettingstijd had zij het besef gekregen een soortgelijke roeping te hebben. God had de leiding van haar leven en van haar land. Tekenend in dit verband is dat in ds. Berkels preek, die ongeveer even lang was als die van ds. Hudig, het woord `God' 36 maal viel. Dat woord kwam in de overdenking gisteren niet meer dan acht maal voor.

Bij de begrafenis van Wilhelmina viel de nadruk op Jezus als redder en bevrijder van mens en wereld. In de preek van ds. Hudig werd Jezus uitsluitend aangeduid als een inspirerend voorbeeld door zijn lijden aan de wereld. ,,`Het is volbracht' waren zijn laatste woorden volgens het evangelie van Johannes. De rechtvaardige wereldvrede is nog niet bereikt, maar de vrede van geworteld zijn in God, staan voor de goede zaak en daar je leven voor willen geven, die vrede, laat hij zijn leerlingen na.''

Aan het slot van zijn preek getuigde ds. Berkel zonder terughoudendheid van de opstanding uit de doden: ,,Het jubelt van leven: Jezus leeft en wij met Hem. Ons overglanst naar een woord van de prinses de zon van Pasen.'' Ds. Hudig toonde zich in haar overdenking op dit punt veel gereserveerder: ,,`Mensen hoeven niet bang te zijn' , zei prinses Juliana dikwijls. Zij was ervan overtuigd: Er is geen einde aan het laatste einde, alleen een eeuwig nieuw begin'', een formulering die naar de reïncarnatie-gedachte lijkt te verwijzen.

Toch waren er, zo werd gisteren duidelijk, ook sterke overeenkomsten tussen moeder en dochter. Beiden waren zeer oecumenisch gezind. Juliana was een trouw kerkgangster en ging graag naar verschillende kerkgenootschappen. Ds. Hudig beklemtoonde gisteren dat de deelname van Juliana aan de eucharistieviering bij het huwelijk van kleinzoon Maurits met Marilène van den Broek ,,geen gril van een excentrieke oude dame'' was, maar een welbewuste keuze. En ds. Berkel constateerde in 1962 dat Wilhelmina blij was als ze zag dat jongeren naar eenheid zochten en als zij over de kerkelijke grenzen heen met anderen avondmaal kon vieren. ,,Wat zou zij graag de verscheurdheid van Christus' kerk ongedaan hebben gemaakt en de ene kudde onder de ene herder reeds hier op aarde hebben gezien.''

Ook plichtsbesef kenmerkte beide vorstinnen in hoge mate. Wilhelmina deed haar werk, aldus ds. Berkel, in het besef dat ze ,,al haar gaven en krachten, haar vele talenten had gekregen om deze ten dienste te stellen van anderen''. En ds. Hudig zei: ,,Koningin zijn was voor Juliana een zware, maar heilige opdracht, waaraan zij moest gehoorzamen, `obediëren' zullen wij straks zingen.'' Wat betreft orthodoxie verschilden moeder en dochter hemelsbreed, in orthopraxie waren ze elkaars evenbeeld.