De toon van het debat

Geen enkel land is vrij van discriminatie en racisme, ook Nederland niet. Vandaar dat elke overheid als taak heeft dat racisme te bestrijden. Het openbaar ministerie hoort gevallen van discriminatie en racisme te vervolgen. Mensen die worden gediscrimineerd moeten ook via een civielrechtelijke procedure hun gelijk kunnen halen. De overheid kan proberen het voorbeeld te geven door mensen aan te nemen uit groepen die worden gediscrimineerd.

Een instelling met de lange naam Nationaal platform voor overleg en samenwerking tegen racisme en discriminatie zou zich op de taaie, dagelijkse praktijk van de bestrijding van discriminatie moeten concentreren. Discriminatie is – naast sociale achterstand – een van de oorzaken dat sommige groepen, zoals Marokkanen of Somaliërs, zo weinig participeren op de arbeidsmarkt. Zo'n platform zou daar dagelijks over moeten overleggen. In plaats daarvan houdt het platform zich bezig met ,,het maatschappelijke debat''. In een brief aan minister Verdonk van Vreemdelingenzaken beklaagt de voorzitter van het platform, oud-minister Borst, zich over uitingen van niet nader genoemde personen over minderheden, speciaal moslims. ,,Zorgvuldigheid is in het debat ver te zoeken'', schrijft ze. Ook het debat over een verbod op het dragen van hoofddoeken doet volgens Borst ,,de verhoudingen geen goed''.

De vraag is hoe Verdonk hier volgens Borst op moet reageren. Moet Verdonk vermeend onzorgvuldige maar niet-racistische uitingen van politici als Hirsi Ali of columnisten als Cliteur verbieden? Gelukkig mag ze dat niet en niets wijst erop dat ze het van plan is. Hirsi Ali wordt zelfs van overheidswege beschermd. Vrijheid van meningsuiting is wel wat waard. Had Verdonk volgens Borst een discussiemoratorium moeten afkondigen over het Franse verbod op het dragen van hoofddoeken in openbare scholen? De Grondwet staat zo'n moratorium niet toe.

Borst mag zeggen wat ze wil, maar een advies aan de regering hoort relevant te zijn voor het beleid. Door zich eenzijdig met een geoorloofd debat bezig te houden lijdt Borst aan het klassieke misverstand dat wat mensen zeggen belangrijker is dan wat de mensen doen. Jarenlang heeft Justitie kritiek op de multiculturele samenleving proberen te vervolgen, in het geval van het ultrarechtse Kamerlid Janmaat met succes. Janmaat was de zondebok en door hem te straffen wekten de autoriteiten de schijn dat er in Nederland niet werd gediscrimineerd. Moeilijker te bewijzen gevallen van praktische discriminatie door mensen die wijselijk hun mond hielden, werden ongemoeid gelaten.

Racistische uitspraken zijn verboden. Verder mogen mensen allerlei bezwaren tegen hoofddoeken uiten, maar er is geen reden om iemand met een hoofddoek uit te sluiten van werk waar geen uniform wordt gedragen. Op dergelijke uitsluiting hoort Justitie scherp te zijn. Als mensen zich vrij uiten, blijven eventueel discriminerende daden minder verborgen en zijn ze gemakkelijker te bewijzen. Een overleg-platform moet zich bezighouden met de organisatie van rechtsbijstand voor slachtoffers van discriminatie. Ook moslimorganisaties zouden zich in juridische middelen tegen discriminerend gedrag moeten verdiepen. Niets verbiedt hun tegen `harde' uitspraken in discussie te gaan. In een discussie tellen argumenten en geen verboden. Borst kan het ,,harde klimaat'' proberen te verzachten door bewezen discriminerend gedrag aan de orde te stellen. Burgers moeten zich vrij kunnen ontplooien. Dat betekent dat ze vrij zijn in hun mening en dat ze niet wegens hun religieuze of etnische achtergrond mogen worden uitgesloten.