Bodyguards

De voorzitter van de Edmund Burke Stichting, Bart Jan Spruyt, spreekt niet meer in het openbaar als hij niet door zijn eigen lijfwacht (bodyguards) wordt vergezeld. Ook is hij `selectiever' bij het aannemen van uitnodigingen, zo berichtte deze krant gisteren. In een vraaggesprek met de Volkskrant van vandaag zegt hij dat hij door ,,links radicale jongeren van autochtone komaf met de dood wordt bedreigd''. Ook is er een poging tot inbraak in het kantoor van de Stichting gedaan. Na afloop van een lezing kwamen ze naar hem toe. ,,Net als Volkert van der G. hebben we er graag achttien jaar voor over om jou neer te schieten'', zeiden ze. Spruyt deed geen aangifte, maar schakelde een bevriend beveiligingsbedrijf in.

Ik weet niet wat onthutsender, of krankzinniger is: dat een groepje jongeren een spreker regelmatig naar het leven staat en hem dit ook rustig laat weten, of dat de spreker niet na de eerste keer al naar de politie gaat. Die jongelui zijn de kluts kwijt, dat is duidelijk. Het is dus van openbaar belang dat ze worden opgespoord, zoals dat ook, met toenemend succes, gebeurt met voetbalhooligans en draaideurcriminelen. Het ligt dus voor de hand dat de bedreigde spreker de politie van de levensgevaarlijke toestand probeert te overtuigen. We nemen aan, a) dat dit lukt. De commissaris stuurt een paar mannetjes in burger. De jongelui dreigen weer, worden ingerekend en volgens artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht veroordeeld tot twee jaar in de gevangenis. Of in geval b), lukt het niet. Dan is het de hoogste tijd om de minister te waarschuwen, Kamervragen te laten stellen en de media van minuut tot minuut op de hoogte te houden.

De heer Spruyt heeft meteen de derde mogelijkheid gekozen, die van de particuliere bewaking. Daarmee heeft hij niet zomaar `een signaal' gegeven. Hij heeft in zijn hoedanigheid van politiek persoon een motie van wantrouwen afgeleverd, gericht tegen het hele politieapparaat voor zover dat dient om de vrijheid van meningsuiting te beschermen. Dat is een krasse uitdaging aan het adres van de minister van Binnenlandse Zaken. Als ik minister Remkes was, zou ik bij de volgende spreekbeurt de zaal door een keur van zijn geheime agenten laten bevolken. Na de bedekte slag die Paul Cliteur met zijn aftreden als columnist het vertrouwen in de openbare orde heeft toegebracht, kan de minister dit niet op zich laten zitten. De vrijheid van het uiten van welke mening dan ook mag nooit door particuliere bodyguards worden verzekerd.

Afgezien van het gedachtegoed van de Burke Stichting zijn de kwesties die nu de namen van Cliteur en Spruyt dragen weer aanwijzingen dat de hysterisering van Nederland verder gaat. Begonnen in de verkiezingscampagne van 2002, met als rampzalig dieptepunt de moord op Pim Fortuyn. In de daarop volgende zomer heeft het fenomeen van de kogelbrief zijn intrede gedaan. Niet alleen politici, ook voetbaltrainers, televisiekomieken, burgemeesters, ja zelfs columnisten waren kandidaat voor een kogelbrief. Het openbaar debat werd kwaadaardiger. Intussen maakte onder de kabinetten-Balkenende I en II het land bij zijn afscheid van `de puinhopen van paars' een duidelijke beweging naar rechts. Ik ben bang dat de puinhopen daarmee nog niet zijn opgeruimd.

Soms denk ik dat Nederland simultaan twee levens leidt: het openbare waarvan de media verslag doen en het verborgene dat de openbaarheid niet bereikt. Met enige regelmaat vervul ik spreekbeurten op bijeenkomsten waar zaken als architectuur, ruimtelijke ordening en stedenbouw besproken worden. Daar tref ik altijd gezelschappen die zonder particuliere of welke bewaking dan ook, met kennis van zaken zich verdiepen in andere aspecten van de nationale toekomst. Gisteravond deed ik mee aan zo'n vergadering. Met de trein erheen. Plotseling stond de trein stil. De conducteur meldde dat in een andere trein, vóór deze, op hetzelfde spoor een `ordeprobleem' was ontstaan. Op een berucht traject waren de jongeren hun eigen probleem aan het uitvechten. Wij, geroutineerde treinreizigers, hebben geleerd zoiets gewoon te vinden.

Ander voorbeeld. In de westelijke tuinsteden van Amsterdam voltrekt zich op het ogenblik `de grote verbouwing'. Dat is niet een geweldige knokpartij, maar een radicale vernieuwing van een kort na de Tweede Wereldoorlog gebouwd, en nu verouderd woongebied. Het is een onderneming bij het uitvoeren waarvan ook allerlei culturele, etnische en godsdienstige vraagstukken een rol spelen. Het spreekt vanzelf dat dit niet allemaal op rolletjes gaat. Maar in aanmerking genomen de omvang en de complexiteit van het geheel, verloopt het tot nu toe bewonderenswaardig – zonder dat de openbare mening er iets van gewaar wordt. De zaak wordt terzijde van de hysterie, zoals burgemeester Cohen het noemt, goed bij elkaar gehouden.

Meer kun je in dit land, zo duidelijk in overgangstijd, niet verlangen. De kern van het vraagstuk is dat we ons niet kunnen hullen in een nationaal perfectionisme, maar ook deel zijn van de grote wereld, het internationale vraagstuk van het terrorisme, en niet minder, van een algemene westerse depolitisering. Daardoor wordt de publieke opinie vatbaar voor de met de grootste demagogie gebrachte gemakkelijkste oplossingen. Dat loopt mis. Waarom dat zo is, heb ik in ettelijke columns geprobeerd uit te leggen. Ik ga ermee door, ook al zou ik de politie moeten bellen.