Bertolucci mist zeggingskracht

Toen Bernardo Bertolucci zijn beste films al achter de rug had, maakte hij La Luna. Een mooi geschoten en erg vervelende film over een verwend Amerikaans snotjongetje van een jaar of vijftien dat niet wil deugen. De hele film zou vergeten mogen worden als er niet één magistraal shot in zat. De camera volgt het rotjongetje door Rome. Hij wandelt langs een schutting en daar gaat de camera even omhoog om te zien wat er aan de andere kant gebeurt. Achter de schutting zijn een paar straatschoffies aan het voetballen. Het is bijna met spijt, lijkt het, dat de camera weer afscheid neemt van die schoffies om het rotjongetje te volgen, om de echte wereld te laten voor wat ze is en zich weer op te sluiten in de klaterwereld van het burgermansettertje.

In de beste films van Bertolucci – Prima della Rivoluzione, Il Conformista, Novecento, misschien nog The Last Emperor – gaat het altijd om de verhouding tussen de wereld en de individu. Waarbij de individu wordt beheerst door zijn psychologie, zijn neurosen, en de wereld door de klassenstrijd (Bertolucci werd in 1968 lid van de communistische partij van Italië).

Ergens tegen het eind van The Dreamers, Bertolucci's jongste film, lijkt het alsof er net zo'n moment plaatsvindt als dat in La Luna. We hebben dan al zeker anderhalf uur meegesjokt met alweer van die verwende adolescenten, dit keer in Parijs. Een Franse broer en zus, een tweeling, en een Amerikaanse vriend ontdekken in een paar claustrofobische dagen het geluk en de wanhoop die bij seks horen. Na een nacht waarin intimiteit aan zelfdestructie grenst, gaat er ineens een steen door de ruit van hun kamer en dan roept het meisje: ,,De straat is ons huis binnengekomen.''

Ja, hijg je dan, eindelijk! Frisse lucht! De wereld is groter dan deze drie zelfingenomen kwasten! Maar dan trekken die zelfingenomen kwasten de wereld in en eisen daar een plaats op die hun helemaal niet toekomt maar die de regisseur hun toch gunt. Het is alsof dat ettertje van La Luna over de schutting is geklauterd en bij die straatjochies het winnende doelpunt maakt.

The Dreamers is nadrukkelijk bedoeld als ode aan het Parijs van 1968, de tijd van de rivoluzione. Hij gaat over drie mensen die zich vrijwel compleet aan die revolutie onttrekken en haar tegelijkertijd belichamen. In hun arrogantie, hun jeugd, hun vrijgevochtenheid en bezetenheid (vooral van film) zijn ze soixantehuitards par exemple.

Bertolucci blijft heel dicht bij hen. De camera komt zelden uit het huis waar Isa en Theo, de verwaten tweeling, onderdak geboden hebben aan Matthew de Amerikaanse student die met hen een maniakale liefde voor film deelt en al hun citaten kan plaatsen. Bertolucci neemt die spelletjes en nukken volkomen serieus, maar dat lijkt vooral een excuus te zijn om drie mooie jonge mensen uit de kleren te krijgen en ze er liefst nooit meer in te doen.

Zo wandelen camera, regisseur en kijker wat doelloos rond in dat Parijse huis, van slaapkamer naar keuken naar badkamer. Bertolucci strooit met citaten uit films, uit de muziek en de cultuurgeschiedenis, met hommages en kritieken. Hij laat zien dat hij nog steeds beelden kan bedenken die de doorsnee van de film ver ontstijgen. De eerste avond dat de drie elkaar leren kennen, dalen ze van Parijse trappen, waarbij de camera alleen hun reusachtige schaduwen registreert. Een prachtig beeld, maar zonder zeggingskracht.

In de laatste scène zijn Theo en Isa ineens echte revolutionairen geworden, met molotovcocktails en zo. Dan laat Bertolucci de mobiele eenheid een charge uitvoeren in slowmotion met Non, je ne regrette rien eronder. O, dat is pijnlijk. Ten eerste omdat die tweeling niets gedaan heeft waarvoor ze wel of geen spijt hoeft te hebben. Ten tweede omdat je merkt dat de regisseur van overdonderende films als Novecento of Il Conformista niet meer op zijn beeldkracht vertrouwt en houvast zoekt bij een truc. Alsof je een bewonderde dichter betrapt met een rijmwoordenboek.

The Dreamers. Regie: Bernardo Bertolucci. Met: Michael Pitt, Eva Green. Louis Garrell, Anna Chancellor. In: 9 bioscopen.