Alleen hard en streng straffen werkt niet

Er moet selectief hard worden opgetreden voor een normatieve herijking, maar het kabinet moet ook de betrokkenheid van de samenleving stimuleren, vindt Hans Boutellier.

Nederland verkeert in een diepe mentale crisis. Deze is herkenbaar aan de verloedering op straat, aan het onbehagen van burgers én aan de overspannen toon die daarover publiekelijk wordt aangeslagen. Het ziektebeeld uit zich op twee overlappende gebieden: het veiligheidsprobleem en het integratievraagstuk. De patiënt bekijkt vol afgrijzen zijn aangetaste lichaamsdelen en geraakt in een acute paniektoestand. Hij eist op hoge toon genezing, desnoods door chirurgische ingrepen, medische verdoving en amputaties. Zijn obsessie met de symptomen verdringt iedere redelijkheid en nuchterheid. Niks geen therapeutische praatsessies meer: ,,Alstublieft dokter, snijden, hakken, voor het te laat is.'' Zero tolerance.

Onder degenen die ervoor doorgeleerd hebben ontstaat verwarring. Moeten zij meegaan met de patiënt, of houden ze vast aan de leerstelligheden uit hun opleiding? Openen zij een grootscheepse aanval op de symptomen of stellen zij eerst de diagnose? Zullen ze het ook uit gaan schreeuwen of bewaren zij hun professionele kalmte?

Neem het deltaplan voor de veiligheid van Docters van Leeuwen. Hij zag de enorme groei van de criminaliteit in de jaren '70 en '80 over het hoofd, maar ziet alsnog het licht nu de groei eruit is. Docters hanteert daarbij het volgende rekensommetje: van de naar schatting 8 miljoen delicten wordt een kwart miljoen vervolgd, een dekkingspercentage van nog geen 3 procent.

Hier lijkt sprake van een absolute wanprestatie van het strafrechtelijk apparaat, meer in het bijzonder van de politie.

Maar zo dramatisch is het nu ook weer niet. Van alle, via slachtofferenquêtes gemeten delicten, worden er `slechts' 1,4 miljoen aangegeven bij de politie. Er zijn tal van redenen voor slachtoffers om er geen werk van te maken. En de circa 250.000 verdachten die worden doorgestuurd naar het openbaar ministerie hebben vaak heel wat meer op hun kerfstok dan de enkele delicten waarvoor ze worden veroordeeld. De Nederlandse politie stopt met rechercheren als ze genoeg bewijs verzameld heeft. Ten slotte, hoe zwaarder een delict, hoe groter de kans dat een sanctie volgt. Van de moord- en doodslagzaken wordt rond de 95 procent opgelost. De strafrechtelijke impact is dus heel wat groter dan Docters doet voorkomen.

Toch is het door hem voorgestelde deltaplan voor de veiligheid op zijn plaats. De criminaliteitscijfers zijn te hoog, het onbehagen onder burgers is verontrustend en de mogelijkheden om er wat aan te doen zijn aanwezig. Ook voor een hardere aanpak valt wat te zeggen, maar dan wel bij een zorgvuldige diagnose en een goede afweging van de alternatieven. En juist daar ontbreekt het aan.

Hoe groot moet het strafrechtelijk apparaat wel niet worden om de gewenste zero tolerance te realiseren? De reactie van minster Donner van Justitie is in dit verband tekenend. De nota Naar een veiliger samenleving beoogt inderdaad te doen wat Docters voorstelt. Meer zaken, meer bevoegdheden, meer celcapaciteit, meer armslag voor politie en justitie. Het zal niet genoeg zijn. En het zal nooit genoeg zijn.

Het hoge criminaliteitsniveau vloeit voort uit het open en dynamische karakter van de samenleving. Dat schept risico's van technologische en van sociale aard en leidt tot een levensstijl waarin velen zich aan een ander weinig gelegen laten liggen. We eisen maximale individuele vrijheid en hebben moeite onszelf te onderschikken aan gemeenschappelijke belangen. We verlangen naar morele inspiratie, maar weten nauwelijks waar we die moeten zoeken.

De oplossing die de WRR voorstelde in haar onlangs verschenen normen-en-waarden-rapport – handhaving van de

democratische rechtsstaat – vormt hierop geen antwoord. Dat wisten we nu juist al. En de projectie van het morele onbehagen op het integratievraagstuk leidt eerder tot meer dan tot minder problemen.

Een strafrechtelijke aanpak van de onveiligheid heeft vooral zin als deze burgers en andere instituties in normatieve zin activeert. Het strafrechtelijk apparaat is te vergelijken met de doelman die de ballen om de oren vliegen. Zonder een adequate verdediging speelt hij een verloren strijd en zonder actief middenveld heeft de verdediging geen schijn van kans. Strafrechtelijk ingrijpen dient bij te dragen aan de beweging naar voren. In dat verband is het onbegrijpelijk dat de politiestrategie `tegenhouden' – een wat ongelukkige term voor het frustreren van criminele activiteiten – door OM-baas De Wijckersloot wordt afgewezen. Hij en zijn voorganger Docters van Leeuwen hanteren een karikaturale tegenstelling tussen repressie en preventie.

Zoals repressieve maatregelen een preventief effect beogen, zo kunnen ook preventieve acties een repressief, corrigerend effect hebben. De bemiddeling van ruzie tussen leerlingen op een schoolplein is veel belangrijker dan het rondlopen van een politieagent door de gangen. In de blinde drift om de symptomen te bestrijden, ontbreekt iedere reflectie op de samenleving anno 2004.

Docters' heimwee naar het touwtje uit de brievenbus is naïef en sentimenteel. Ook uit de nota `Naar een veiliger samenleving' lijkt iedere beschouwende zin zorgvuldig te zijn weggehaald. Zij bevat een berg van maatregelen zonder afweging, prioriteit of richting. De beleidstheorie lijkt te zijn dat deze niet nodig is. Aanpakken!

In de Angelsaksische landen wordt veel meer geredeneerd vanuit de doelstelling van crime reduction, het daadwerkelijk terugdringen van criminaliteit door het combineren van verschillende strategieën. Door botweg vast te houden aan de kerntaken opsporing en vervolging stagneert een aanpak die ook in Nederland in de lokale praktijk met vallen en opstaan vorm krijgt. Daarbij gaat het om het maken van risico-analyses, samenwerking tussen instanties, handhavingsarrangementen en het betrekken van burgers en bedrijven bij wijkveiligheidsbeleid. De urgentie die thans rond het veiligheidsprobleem wordt ervaren, biedt een unieke kans om de samenleving te mobiliseren.

Het strafrechtelijk systeem dient daarbij te functioneren als ruggensteun om de risico's en uitwassen, die inherent zijn aan een dynamische, open samenleving, onder controle te krijgen: opbouwen vanuit de verdediging. Rond het strafrecht functioneren instanties die te maken hebben met risicogroepen en -situaties: wijkpolitie, jeugdzorg, reclassering, maar ook banken, notarissen, voetbalstadions en particuliere beveiliging. Zij dienen te worden gestimuleerd tot risicomanagement en doelgerichte interventies. Deze ontwikkeling is gaande, maar dient systematisch te worden ondersteund.

Daaromheen is een grotere cirkel te trekken van instellingen die zich langzaam meer bewust worden van hun normatieve functie. Scholen zijn er bijvoorbeeld niet alleen voor diploma's, maar ook voor goed gedrag. Ook zwembaden, het maatschappelijk werk, de horeca, de sociale diensten en het welzijnswerk spelen een normatieve rol. Deze instanties kunnen via gedragscodes en conflictbeslechting en door afspraken met de politie `preventief-repressief' optreden tegen normoverschrijdingen en aanmatigend gedrag. In het algemeen stimuleren zij de ontwikkeling van burgerschap. Ten slotte is er een nog wijdere cirkel te trekken van burgers die zich organiseren in verenigingsleven, buurtactiviteiten, internetboxes en vrijwilligerswerk.

Het activeren van burgers en instituties is cruciaal voor de vitaliteit van de civil society en daarmee voor de veiligheid en leefbaarheid. Dat is iets anders dan de aanbeveling van minister Remkes om `ze' een rotschop te verkopen. In sociologentaal komt het erop aan het sociale kapitaal van de samenleving te versterken: onderling vertrouwen, fatsoenlijke omgangsvormen, alledaagse sociale betrokkenheid. Het kabinetsmotto `meedoen' vraagt om een visie op sociale activering en mobilisatie.

In een dergelijke beweging vanuit de verdediging naar voren kan het corrigerende vermogen van de samenleving worden gestimuleerd en uiteindelijk het sociale kapitaal worden versterkt. Hard en doelgericht optreden kan daarbij op zijn plaats zijn om onveilige wijken tot rust te brengen en zich te laten herstellen.

Maar het zou een grote vergissing zijn het veiligheidsprobleem alleen in harde termen te begrijpen, zoals het huidige justitie-nooit-genoeg-beleid suggereert. De samenleving is niet gebaat bij een heilloze spiraal van meer, harder en strenger optreden. Een harde aanpak heeft zin als die selectief is en gericht op de ondersteuning van de normatieve herijking van de samenleving. Het belang ervan schuilt in de boodschap dat de overheid het er niet bij laat zitten.

Tough on crime, activating people zou het motto kunnen zijn van het door Docters gewenste veiligheidsoffensief. Ja, de dokter zal snijden en desnoods hakken, maar dan wel onder de conditie dat de patiënt tevens behandeld wordt.

Prof. dr. Hans Boutellier is algemeen directeur van het Verwey-Jonker Instituut en bijzonder hoogleraar Politie- en veiligheidsstudies aan de Vrije Universiteit. Hij schreef onder meer De veiligheidsutopie; hedendaags onbehagen en verlangen rond misdaad en straf.