Rodrigues zingt te stijfjes

Ze staat bijna stokstijf achter de microfoon, de blik naar binnen gekeerd, net als Cesaria Evora die vorige week in Nederland was. Dat de Braziliaanse zangeres Virginia Rodrigues ook verder doet denken aan die Kaap-Verdische ligt aan haar stem en repertoire. Ze heeft een laag, monotoon geluid, een voorkeur voor gemiddelde tempi en liedjes waar je niet vrolijk van wordt, zelfs al zijn ze zo bedoeld.

Verschillen zijn er ook. Valt bij Evora om de haverklap het woord `saudade' , bij Virginia is het `tristeza' wat de klok slaat. Daarnaast heeft de zang van Virginia Rodrigues vaak een religieuze ondertoon, waarschijnlijk te danken aan haar kerkkoor-verleden. Katholieke en protestantse koren, omdat Rodrigues met betrekking tot het `hogere' absoluut niet eenkenning is. Ze is een aanhanger van de candoblé-cultuur, een religieuze mengvorm van christelijk en Afrikaans. Op haar tweede cd Nós (2000) bezingt ze diverse goden.

Na de pauze lijkt de boog minder gespannen. Ze doet duetjes met haar muzikanten, waarbij blijkt dat die veel meer kunnen dan braaf de arrangementjes spelen. Maar uitbundig wordt het nooit. Ook niet in Terra Seca waarin Rodrigues om het toch nog gezellig te maken niet alleen haar bandleden laat meezingen, maar ook haar machtige romp laat lillen. Eerder verwarrend dan richtinggevend, omdat ze vervolgens het bekende Manh de Carnaval van Luis Bonfa, een optimistisch liedje, degradeert tot statige hymne.

De Braziliaanse zangeres Virginia Rodrigues, minstens tien jaar jonger dan ze eruit ziet, heeft een heel bijzonder altgeluid, een kwartet met prima musici, maar blijkbaar niemand die haar weet te gidsen. Iemand die haar iets vertelt over vreemde landen, bijvoorbeeld dat een jazzclub in het gehucht Holanda meer wil dan een uittreksel uit drie cd's van met moeite een uur. Daarvan is de laatste, Mares Profundos, zelfs via internet nog niet op te roepen.

Concert: Virginia Rodrigues. Geh: 28/3 BIMhuis Amsterdam.