Het Land van Ex

Laten we het hebben over de kwaliteit van het publieke debat. Begin deze maand hield de Amerikaanse historicus James Kennedy bij de aanvaarding van een hoogleraarschap aan de Vrije Universiteit de Nederlanders voor waar het in de democratie `ten diepste' om gaat: ,,om de manier waarop wij elkaar verantwoordelijk houden, waarop wij met elkaar spreken, met elkaar in debat gaan, elkaar vermanen en elkaar soms de opgeheven vinger voorhouden.'' Morele overwegingen en terechtwijzingen, zei hij, zijn essentiële onderdelen van het democratische leven.

De verhouding tussen die twee onderdelen lijkt zoek de laatste tijd. Te veel terechtwijzingen, te weinig morele overwegingen. A is gevaarlijk, B moet worden afgevoerd, C is van de linkse kerk, X is een ijdeltuit, Y is een lafbek – ik heb er schoon genoeg en mijn buik vol van.

Waar debatteren we eigenlijk over? Dat lijkt me een belangrijker kwestie dan de toon. Het zou toch moeten gaan om problemen waarover langs democratische weg aanvaardbare beslissingen kunnen worden genomen. Cultuurstrijd noch religie leent zich hiervoor. A is tegen de islam, B wil minderheden met respect bejegenen. A en B praten dus langs elkaar heen. Vervolgens wordt A schuldig verklaard aan haat zaaien en B aan de ondermijning van de westerse beschaving. Maar geen van beiden wenst de grondslag van de democratische rechtsstaat te verlaten. Zo'n debat gaat dus nergens over.

De morele overwegingen raken onder de terechtwijzingen bedolven. Met `morele overwegingen' bedoel ik niet de

zedenpreken van Balkenende of de moralistische pogingen van neoconservatieven om de eigen normen aan de samenleving op te leggen, ik bedoel, ouderwets gezegd, het ideaal van gerechtigheid.

James Kennedy betrok de stelling dat de huidige verwarring in Nederland voortkomt uit het gevoel dat er te weinig is geïnvesteerd in de publieke zaak. Bovendien wees hij op de deconfessionalisering van de Nederlandse maatschappij sinds de jaren '60, gevolgd door de ontideologisering onder Paars in de jaren '90. Dit alles heeft ons een land gebracht ,,dat vooral bevolkt lijkt te zijn met ex-christenen en ex-marxisten''. Het Land van Ex.

Volgens Kennedy was dit een land waar meer waardering bestond voor goed beleid van de overheid dan voor hoge idealen onder de bevolking. ,,Al eeuwenlang zijn Nederlandse overheden gekenmerkt door een pragmatische instelling, waarbij levensbeschouwelijke ideologieën elk hun plaats toegewezen kregen en publieke zaken in de capabele handen van de deskundigen werden gelegd. De laatste halve eeuw heeft dit patroon zich voortgezet in de ontwikkeling van een goed geoliede verzorgingsstaat, waarbij de overheid – en niet het individu – de zorg voor de zwakkeren in de samenleving op zich nam.''

Ik denk dat de Amerikaan hier een belangrijk punt te pakken heeft. Achter alle heisa over integratie, immigratie en islam tekent zich de angst af voor hetzij de

teloorgang, hetzij de modernisering van de verzorgingsstaat. Daar zit ook veel van het venijn en de verongelijktheid die het publieke debat kenmerken. Hebben onze grootouders sociale voorzieningen bevochten om ze door immigranten te laten misbruiken? Hebben onze ouders zich tijdens de naoorlogse wederopbouw uit de naad gewerkt om te worden verwaarloosd in desolate zorginstellingen? Hebben wij het onderwijs gedemocratiseerd om het te laten verloederen? Premies betaald om te horen dat de koek op is, als wij aan de beurt zijn?

Deze, ten dele retorische, vragen hebben wel degelijk betrekking op morele overwegingen die in het debat aan de orde moeten komen. De toekomst van de verzorgingsstaat kan niet worden overgelaten aan technocraten en bureaucraten. Zie Frankrijk, waar rechts zondag werd vernederd door de kiezers. Zie Duitsland, waar links onlangs werd vernederd door de kiezers. In beide landen stond de hervorming van de verzorgingsstaat, linksom of rechtsom, centraal, maar links noch rechts kreeg vertrouwen voor het werk in uitvoering.

Het lijkt me dat dit alles te maken heeft met het ontbreken van een ethisch fundament voor de hervorming van de verzorgingsstaat, althans: dat fundament is niet gelegd, het debat gaat eraan voorbij. Er wordt alleen maar over gepraat in termen van pamperen van zielige mensen, misbruik door parasitaire burgers en overschrijding van het begrotingstekort.

Vanuit zijn Amerikaanse perspectief typeerde Kennedy de verzorgingsstaat als ,,een collectieve en bureaucratische uitdrukking van een soort caritas''. Volgens hem heeft deze vorm van ,,publieke vrijgevigheid'' religieuze en kerkelijke wortels.

Eerbied, vrijgevigheid en hoop – dat zijn de drie kernbegrippen waarmee Kennedy de ,,ethische erfenis'' van de democratie identificeert. De eerbied hebben de Nederlanders ingevuld met de plechtige herinnering aan de Tweede Wereldoorlog en met de Oranje-mythe. De hoop is voor ons een eschatologisch idee van de toekomststaat. En de vrijgevigheid is belichaamd in de verzorgingsstaat.

Maar in mijn ogen maakt de historicus hier een cruciale vergissing (die hem als Amerikaan vergeven zij). De sociale voorzieningen zijn immers bevochten in antwoord op en in strijd met de caritas. De vernederende armenzorg, de kerkelijke diaconie, de hardvochtigheid van een Abraham Kuyper of Hendrik Colijn, zijn vervangen door een stelsel van verzekeringsrechten en sociale grondrechten, dat de arbeiders tot staatsburgers heeft geemancipeerd.

De verzorgingsstaat hoort dus niet thuis in Kennedy's categorie `vrijgevigheid', maar ook en vooral in de categorie `eerbied', door hem omschreven als het eren en erkennen van datgene en diegenen die ons zijn voorgegaan, het eren en erkennen van de bronnen van ons bestaan en de vooruitgang in het leven.

Gelijk heeft Kennedy daarentegen als hij zegt dat de verzorgingsstaat is ontstaan uit `hoop', dat wil volgens mij zeggen: honger naar gerechtigheid. Het is geen socialistisch, maar een democratisch project geweest van wisselende coalities, maar toch één waar de sociaal-democratie uit is voortgekomen. En wie zijn ideologische veren afschudt, mag zich zijn verleden niet laten afpakken.

Langs deze lijn wil Kennedy het debat trouwens ook voeren: een passie voor de publieke zaak vereist deugden die betrekking hebben op het verleden, het heden en de toekomst.

Een mooie oratie.