De oorlog tegen intelligentie

Franse onderzoekers hebben massaal ontslag aangevraagd uit onvrede met het universitaire systeem. De regering beloofde meer geld. Maar waar vandaan?

Zijn moderniseringsplannen voor de universiteit zijn onder druk van het `veld' afgeblazen, maar vorige maand kreeg Luc Ferry, de Franse minister van Onderwijs – wellicht slechts voorlopig, op zeer kleine schaal en een heel klein beetje – toch nog zijn zin. Meest omstreden punt van zijn plannen was selectie aan de poort van de universiteit. Dat wil zeggen: de universiteit van de Republiek, sinds de wet op de universiteiten van 1984 onherroepelijk toegankelijk voor eenieder die er studeren wil.

Wat hem linksom niet lukte, deed Ferry rechtsom. Per decreet verleende hij de Parijse universiteit nummer IX, ook bekend onder de naam Dauphine, de status van `grote instelling'. Dank zij die status mag Dauphine een selectief toelatingsbeleid gaan voeren.

Studentenvakbonden spraken prompt van een `schandaal' en rechtszaken zullen volgen. Eerdere vonnissen dwongen Dauphine af te zien van een selectieve verdeling van de jaarlijks duizend eerstejaarsplaatsen onder vijfduizend kandidaten. Het decreet, bedoeld om het onwettige te wettigen, houdt volgens het ministerie geen gevaar van `besmetting' in. Voor Dauphine, gespecialiseerd in economie en management, is een uitzondering gemaakt om ,,de wetenschapsbeoefening en het onderwijs van de instelling'' te versterken en om ,,een nieuwe impuls te geven aan haar internationale uitstraling''.

De zaak-Dauphine is exemplarisch voor de stand van zaken in universitair Frankrijk, zoniet voor Frankrijk zonder meer. Traditioneel revolutionair van geest vindt heel het volk dat er hervormd moet worden, maar als het daar op aankomt, staan er altijd wel verkiezingen voor de deur en blijft alles bij het oude. Vorige week, ingebed tussen de twee rondes van de voor de rechtse regering rampzalig verlopen regionale verkiezingen, vulden de straten zich weer.

Wetenschappers staan al sinds vorige maand massaal op straat. Volgens boze tongen was dat óók met het oog op de verkiezingen, maar die suggestie is fel van de hand gewezen. En het is waar: er was wel degelijk een aanleiding om `eindelijk' te hoop te lopen tegen wat genoemd wordt de `jarenlange onttakeling' van het wetenschappelijke onderzoek. De beweging `Red het onderzoek' kwam op gang na de beslissing van het ministerie van Onderwijs om 550 vaste universitaire onderzoeksposten te veranderen in tijdelijke aanstellingen. Tegelijkertijd publiceerden anderen een manifest 'tegen de oorlog tegen de intelligentie' die de regering van premier Jean-Pierre Raffarin in hun ogen voert.

Haastig beloofde Raffarin alsnog 120 vaste posten én een extra injectie, tot 2007, van drie miljard euro voor onderzoek. Hij werd niet geloofd, al was het maar omdat het onlogisch is dat de gevraagde 550 posten er niet kwamen, maar drie miljard euro extra zonder blikken of blozen konden worden toegezegd. De onvrede culmineerde in de massale ontslagaanvrage, op 9 maart, van meer dan tweeduizend hoofden van onderzoekcentra. Tegelijkertijd stonden meer dan tienduizend jonge aio's, op zoek naar een plek, de gevestigde ouderen aan te moedigen.

De ontslagaanvrage is nog niet gehonoreerd, maar de universiteiten hebben zich `natuurlijk' solidair verklaard. Van de meer dan 80.000 universitaire docenten hebben er 55.000 immers ook een onderzoekstaak, daarin bijgestaan door 65.000 aio's, die jaarlijks tienduizend proefschriften produceren. De klacht van universiteiten is bovendien een vrij precieze echo van die van de onderzoekcentra: het budget voor 2004 voorziet in geen enkele nieuwe post.

De wetenschappers die de Franse universiteiten afleveren staan – `vooralsnog' zeggen pessimisten – hoog aangeschreven in de wereld. In de moleculaire biologie en biotechnologie heeft het land een `dramatische achterstand' maar wis- en natuurkunde en astrofysica zijn juist weer zeer ontwikkelde disciplines. Wetenschappers en universiteitsbestuurders wijzen dezer dagen steeds opnieuw op het gebrek aan evenwicht in het onderzoek. Terwijl ze zich bij voorbaat indekken tegen iedere verdenking van pro-Amerikanisme, spiegelen ze zich aan de het veel gerichtere en in nauwe samenspraak met het economische veld opgezette onderzoek in Amerika. Dat land is de voornaamste eindbestemming van een eveneens drukbesproken `hersenvlucht': het vertrek van gerenommeerde wetenschappers, maar ook van briljante net-afgestudeerden naar oorden die meer perspectieven bieden.

Deskundigen hekelen de lage budgetten, maar ook de starre, gecentraliseerde organisatie van het hoger onderwijs en van het er nauw mee verbonden onderzoek. Wordt in Amerika tachtig procent van het onderzoek door het bedrijfsleven gefinancierd, in Frankrijk is het vrijwel geheel van publiek geld afhankelijk. Het Franse systeem is bovendien niet projectgericht maar `institutioneel': financiering is voor eeuwig, ongeacht de prestaties.

De expats vertellen over de beroerde werkomstandigheden aan de Franse universiteiten. In het kader van de decentralisatie is de laatste decennia weliswaar geïnvesteerd in de universiteiten `in de provincie', maar de huisvesting van universiteiten kenmerkt zich toch vooral door achterstallig onderhoud en gebrek aan faciliteiten. Docenten hebben geen eigen werkkamers, ook geen gedeelde, en worden geacht thuis te werken. Onderwijzend en ondersteunend personeel hebben een eigen organisatie: administratieve assistenten worden lukraak toebedeeld aan docenten en bestuurders zonder enige inspraak van hun kant.

Universiteiten worden afgerekend op het aantal afgeleverde studenten – hetgeen overigens een massaliteit tot gevolg heeft die de sociale kant van het studeren negatief beïnvloedt. Door het getalscriterium ligt de nadruk op het lesgeven, hoewel de meeste docenten een gecombineerde taak hebben van lesgeven en onderzoek verrichten. Het laatste weegt nauwelijks in de beoordeling van het functioneren. Franse wetenschappers publiceren weinig: in 2002 produceerden Nederlandse wetenschappers 1093 publicaties per miljoen inwoners tegenover 712 publicaties van de Fransen. Evaluatie van het functioneren is hoe dan ook nauwelijks aan de orde: benoemingen zijn voor het leven.

De Franse paradox wil dat iedereen inziet dat het laatste niet bevorderlijk is voor de flexibiliteit en de weerbaarheid van het systeem. Amerika wordt ten voorbeeld gesteld, maar het moet `natuurlijk' niet zoals in Amerika. Dit is Frankrijk, het land heeft zijn eigen tradities. De zekerheid van een vaste aanstelling is er één van.

Derde deel van een serie over hoger onderwijs in Europa. Eerdere delen verschenen op 18 en 24 maart.