AIVD verwijt Cliteur niets

Bij alle rumoer rondom de AIVD, moslims en Paul Cliteur is het nuttig te lezen wat de AIVD letterlijk geschreven heeft: ,,Te constateren valt dat een groeiend aantal moslims zich door opiniemakers en opinieleiders in het maatschappelijk verkeer onheus bejegend voelt.'' Dat is wat anders dan wat Paul Steenhuis schrijft: ,,(...) de AIVD heeft beweerd dat scherpe kritiek van wetenschappers en columnisten als Paul Cliteir islamitische jongeren in de armen van de jihad drijft'' (Opinie & Debat, 27 maart).

Het maakt nogal wat uit, of je schrijft: ,,Opinieleiders bejegenen moslims onheus'', of: ,,Moslims voelen zich door opiniemakers onheus bejegend.'' Het eerste legt de verantwoordelijkheid van het gebeuren bij de opinieleiders, het tweede op zijn minst ten dele bij de moslims zelf. In dat laatste geval is de onheuse bejegening `ingebed' in het perspectief van de moslims. Als iemand zich onheus bejegend voelt, is er alle ruimte voor de vraag of dat gevoelen terecht is, anders dan wanneer je onheus bejegend wordt. Als de AIVD het laatste geschreven zou hebben, dan zou Cliteur gelijk hebben als hij zich (als opiniemaker of opinieleider) aangesproken voelt. Maar de daadwerkelijke formulering levert een magere rechtvaardiging voor de verontwaardiging.

Het zou natuurlijk kunnen zijn dat deze ene zin een subtiliteit is die er in de tekst van de AIVD verder niet of nauwelijks toe doet. Gezien het grote verschil dat het maakt, zou men echter mogen verwachten dat de rest van de tekst erbij gehaald was, maar bij mijn weten is dat niet gebeurd. Welnu, er staat: ,,[...] Vooral jongeren uit de groep van de tweede of derde generatie immigranten lijken de vermeende verwijdering tussen de samenleving en moslimburgers zwaar op te nemen. De groep van de zich onheus bejegend voelende jongeren vormt een voorname vijver van voor radicalisering en eventueel rekrutering ontvankelijke personen.'' Nota bene: `vermeende verwijdering'.

De AIVD heeft een en ander geformuleerd in antwoord op vragen van minister Remkes en het Kamerlid Kalsbeek. Remkes heeft de notitie als zijn antwoord op vragen van Kalsbeek aan de Kamer gestuurd. In feite herhaalt hij een eerder geuite mening van het kabinet-Balkenende, in een notitie over terrorismebestrijding van 24 juni 2003. Minister van Justitie Donner schrijft daarin over de gevolgen van de aanslagen van 11 september 2001: ,,Minstens zo schadelijk was het groeiende wantrouwen van de bevolking in de westerse samenlevingen jegens de in hun samenleving woonachtige moslims. Het gaf veel moslims het gevoel dat zij niet welkom zijn in het Westen, en heeft een deel van hen in de richting van radicaal-islamitische groeperingen gedreven.'' Uitspraken dus, waarvoor de verantwoordelijkheid genomen is door leden van de regering, die moeilijk van overdreven multi-culturalistische neigingen verdacht kunnen worden.

Paul Steenhuis schrijft, en daar ben ik het mee eens, dat ,,de hele notie van het publieke, intellectuele debat over de islam in ons land verworden is''. Natuurlijk, zegt hij, respecteer je het geloof van de imam (pastoor, etc) als je bij hem op theevisite gaat, maar het moet zonder meer mogelijk zijn om uitwassen van de islam (het katholicisme, etc.) publiekelijk aan de kaak te stellen – imams en andere gelovigen hoeven zich daar niet meteen persoonlijk door geraakt te voelen. Volkomen juist.

En zo moet het ook mogelijk zijn om publiekelijk een sociaal-psychologische factor die bepaalde mensen ontvankelijk maakt voor de uitwas die jihad-rekrutering is, te benoemen zonder dat elke criticus van die uitwas zich daar meteen persoonlijk door geraakt hoeft te voelen.

Prof.dr. A. Verhagen is hoogleraar Nederlandse Taalkunde.