SCP: Nederlander oordeelt scherper over verval zeden

. De morele verwarring in Nederland is sinds 1970 gestaag afgenomen. Tegelijk vindt een almaar groeiend deel van de bevolking dat de opvattingen over gedrag en zeden in het land achteruit gaan.

Dit blijkt uit de vandaag verschenen studie De moraal in de publieke opinie van het Sociaal en Cultureel Planbureau. De studie bevat geen nieuwe gegevens, maar vergelijkt op basis van beschikbaar enquêtemateriaal hoe de opvattingen van Nederlanders zich door de jaren heen hebben ontwikkeld, en hoe die opvattingen zich verhouden tot die van inwoners van andere West-Europese landen.

In 1970 vond een meerderheid van de bevolking (56 procent) dat er zoveel verschillende opvattingen bestonden over wat goed is en wat verkeerd, dat men niet meer wist waar men aan toe was. Dat vindt nu nog 41 procent. Ook het idee dat alles zo snel verandert dat men nauwelijks meer weet wat goed en slechts is, verloor aanhang: van 45 procent in 1970 naar 28 procent vorig jaar.

De afnemende onzekerheid over goed en kwaad schept ruimte voor een scherper oordeel. Dat valt ongunstig uit: het percentage mensen dat vindt dat de opvattingen over gedrag en zeden achteruit gaan nam toe van 40 procent in 1970 tot 70 procent in 1998. Recentere cijfers zijn niet beschikbaar.

In elk peiljaar zijn ouderen meer geneigd te zeggen dat `gedrag en zeden' achteruit gaan dan jongeren. Tegelijk worden alle generaties pessimistischer naarmate ze ouder worden.

Uit een statistische analyse van het SCP blijkt echter dat dit laatste niet zo zeer een effect is van leeftijd, maar van tijdgeest: ook los van leeftijd en generatie zijn Nederlanders steeds negatiever gaan oordelen over gedrag en zeden.

Niet zo duidelijk is waarin dit pessimisme is gestoeld. Nederlanders hebben in het algemeen behoorlijk veel vertrouwen in hun medemensen; minder dan de Scandinaviërs, maar aanzienlijk meer dan de Britten, de Belgen en de Duitsers.

Nederlanders vinden in ruime meerderheid (70 procent) dat goed en kwaad geen absolute begrippen zijn, maar afhangen van de situatie. Scandinaviërs vinden dit in nog sterkere mate, Britten en Duitsers minder.

Opmerkelijk is dat wanneer het aankomt op `zich aan de regels houden' op allerlei punten de Scandinaviërs, met name de Denen, het steilst zijn, de Fransen het rekkelijkst. Nederlanders zitten in de middenmoot.

Sociaal gedrag en bereidheid mensen te helpen worden verreweg het meest genoemd wanneer Nederlanders wordt gevraagd naar wat zij `goed burgerschap' vinden. Burgerschap heeft dus in onze ogen vooral betrekking op andere mensen.

Politieke betrokkenheid, stemmen en belasting betalen – verantwoordelijkheden jegens de samenleving als geheel – worden het minst genoemd als voorbeelden van goed burgerschap.

www.nrc.nl/docrapport