Relaties in Congo verder verziekt

Wie er achter de couppoging van gisteren in Congo zit, is onbekend. Zeker is dat het wantrouwen binnen de overgangsregering nog verder toeneemt.

De overgangsregering van president Joseph Kabila werd al vóór de couppoging dit weekeinde verlamd door interne verdeeldheid. De groeperingen die sinds juni vorig jaar in de regering vertegenwoordigd zijn – Kabila en aanhang, twee rebellengroepen, oppositie en belangengroepen – koesteren een diepgeworteld wantrouwen tegenover elkaar. De aanval gisteren op de hoofdstad Kinshasa zal de verhoudingen nog verder verzieken.

Sinds de val van dictator Mobutu in 1996 was het een publiek geheim dat zich in Brazzaville aan de andere kant van de Congo-rivier tussen de drie- en vierduizend voormalige manschappen van Mobutu ophielden. Kabila's medewerkers vrezen al heel lang dat ontevreden rebellenleiders of voormalige medewerkers van Mobutu deze werkloze soldaten zouden kunnen inzetten voor een staatsgreep. Dat is nu kennelijk gebeurd. Volgens ooggetuigen kwamen duizenden van hen zondagochtend de grens over, veelal in burger, en werden zij in Kinshasa opgewacht door medestanders met rode hoofdbanden.

In wiens opdracht de coup werd gepleegd, is onduidelijk. De eerste beschuldigende vingers zijn uitgestoken naar rebellenleider Jean Pierre Bemba, één van de vier vice-presidenten in de regering. Deze coalitieregering kwam vorig jaar juni door uiterst moeizaam vredesoverleg tot stand na vijf jaar burgeroorlog. Bemba, die als opstandelingenleider opereerde vanuit Mobutu's geboortestreek in het noordwesten, heeft altijd goede banden onderhouden met zakenlui en militairen in de dynastie van Mobutu.

Vorig jaar november kwam het al bijna tot een schietpartij tussen de presidentiële garde van Kabila en de bodyguards van Bemba, die waren gesignaleerd in aanwezigheid van een hoge militair uit het buurland de Congolese Republiek. Regeringstroepen wilden hen arresteren waarna Bemba zich terugtrok in zijn kantoor dat vervolgens werd omsingeld door speciale soldaten van Kabila. Kabila realiseerde zich dat een gevecht de lont in het kruitvat kon zijn en maakte een einde aan de belegering door middel van onderhandelingen.

Een andere groep die bij de mislukte staatsgreep betrokken zou kunnen zijn, is de kliek getrouwen van de twee jaar geleden vermoorde president Laurent Kabila. Toen Joseph daags na de moord op zijn vader in januari 2001 de macht overnam, begon hij zich te ontdoen van enkele naaste medewerkers van zijn vader. Zo moesten Didier Kazadi van de veiligheidsdienst en de belangrijke minister Mwenze Kongolo opstappen. Kongolo liet zich onlangs uiterst negatief over de president uit. Hij noemde hem in een televisiegesprek ,,een onvolwassen politicus''.

De grootste spanningen ontstonden de afgelopen maanden met de rebellengroep RCD-Goma in het oosten van het land. Aan voerder van RCD-Goma is Azaria Ruberwa die door president Joseph Kabila hevig gewantrouwd wordt. Als onderdeel van het vredesakkoord tussen de rebellengroepen en de regering heeft de president de bevoegdheid om topposities in de ambtenarij en het leger te bezetten. In de oostelijk stad Bukavu gingen plaatselijke commandanten van het rebellenleger niet akkoord met zo'n benoeming. Dat leidde de afgelopen weken tot sporadische gevechten.

De meeste rebellen in het gigantisch uitgestrekte Congo dragen nog steeds wapens, de oprichting van een nieuw nationaal leger laat op zich wachten. De rebellenleiders die hun posten in de regering opnamen, verblijven in de hoofdstad met zware wapens. Zij worden beschermd door troepen van de Verenigde Naties, die in totaal tienduizend man in Congo hebben gelegerd, van wie de meesten in het oosten.

Bij de vorming van de overgangsregering werd afgesproken dat er over twee jaar verkiezingen zouden worden gehouden. Dat lijkt onhaalbaar. De Europese Unie sprak eerder deze maand haar bezorgdheid uit over ,,de trage voortgang van de regering en het wantrouwen dat binnen haar gelederen wortel heeft geschoten''.