IJspiepwoorden

Maar liefst 330 lezers namen de afgelopen week de moeite om mij, soms zeer uitvoerig, te informeren over de woorden die zij kennen voor de gevaarlijke wintersport die bestaat uit het springen van schots naar schots. Dat leverde veel meer informatie op dan ik hier kwijt kan. Moet dus kort zijn. Voor een selectie uit de vaak spannende reacties, voor de verschillen tussen eerst met een groep het ijs breken (soms taaien of bochelen genoemd) om vervolgens op de schotsen te kunnen springen, moet ik belangstellenden verwijzen naar www.nrc.nl/woordhoek. Hier moet ik mij beperken tot de eerste inventarisatie van de nationale ijspiepwoordenschat. Met zeer veel dank voor alle informatie!

Bochelen. In Noord- en Zuid-Holland: meestal alleen bochelen, soms ijsiebochelen.

Bommen. Alleen in de Bollenstreek (Noord-Holland): schorsie, schossie, schotsie bommen.

Brouwen. Alleen Zuid-Holland: ijssie brouwen, schorsie, schossie, schotsie of schotsje brouwen.

Dansen. Alleen in Friesland: schotsje of schollegie dansen.

Dribbelen. Voornamelijk in Friesland: scholletje, schotsie, skotsje dribbelen.

Drossen. Voornamelijk in de Krimpenerwaard: ijssie drossen.

Jagen. Alleen in Friesland: schotsjejagen.

Kraken. Alleen in Zuid-Holland: ijssiekraken.

Lidderen. Alleen in de Zaanstreek: ijssie, schorsie, schossie of schotsie lidderen. Lidderen is Zaans voor `lillen, trillen, bibberen'.

Lopen. Landelijk, maar vooral vaak in Groningen, Friesland, Drenthe: boeglopen, bommetjelopen, buuglopen, gaarlopen, krakkielopen, matjes lopen (Zeeuws-Vlaanderen), roempie lopen, schaaltje, scholletje, scholtje of schotsie lopen, wakjelopen, zoempie lopen.

Piepen. Alleen Zuid-Holland: ijs(s)iepiepen, scholletje piepen, schotsiepiepen.

Raggen. Alleen in Den Haag en Wassenaar: schotsie, schotsje raggen.

Rammen. Alleen in Loenen: schorsie rammen.

Rennen. Drachten: schotsje rennen.

Springen. Landelijk: scholletje, scholtjes of schotsie springen.

Taaien. Voornamelijk in Zuid-Holland, maar ook in Drenthe: ijs(s)ietaaien, taaike lappen, taailappen. In Bolsward in Friesland: taai-ijzen.

Trappen. (soms ook trappelen). Landelijk: boegtrappen, bommetjetrappen, gammeltje of gampie trappen, roempie trappen, scholleke, scholletje, schorsie, schossie, schotsie of schulleke trappen, wakkie trappen, zoempie trappen.

Trietsen (soms ook dritsen of tritsen). Voornamelijk in Eindhoven: scholleke of scholletje trietsen.

Wiebelen en wieberen. Vaak in Dordrecht en Zwijndrecht: schotsie en schotsje wiebelen/wieberen.

Wippen. In Rotterdam en omgeving: ijssie wippen, scholletje, schotsie, schotsje wippen; in Bunschoten-Spakenburg: guutje of scholletje wippen.

Zetten. Alleen in Friesland: schotsje, skosse, skoske zetten.

Andere vormen zijn nog: buigebaantjes maken (Lobith); buigertje (Meppel); buiglappen (Zeeuws-Vlaanderen). Gammelen (West-Friesland). Doorzakkertje en doorzetterje (Leeuwarden). Louteren (Groningen). Pegelen (Capelle aan den IJssel). Plampelieren (Beesd) en poepelieren (Kerkdriel). Gollefieklettere en troggelen (Zaanstreek). IJssie bobberen (Loosdrecht), ijsie brassen (Ouderkerk aan den IJssel). Schollekeneren (Raamsdonksveer), schotsie roempen (Abcoude), schotsietrippelen (Schiedam), scholleke treijen (Brabant).

Tot slot: ook voor `natte poot' blijken allerlei fraaie woorden te bestaan, waaronder: hijser, kletspoot, klesser, natpoot, natte, natte poot, natte zeik, natte zeikerd, natzeik, natzeikie, oliepoot, zeikerd, zeikie, zeikpoot en zuiperd. Wat een mooie, rijke taal hebben we toch!

Reacties naar de achterpagina of naar sanders@nrc.nl