Bush begrijpt er nog steeds niets van

Meer dan twee jaar na de aanslagen van 11 september 2001 hebben Bush en zijn adviseurs nog altijd niet door wat er is gebeurd, concluderen Ivo Daalder en James Lindsay na de onthullingen van terrorismebestrijder Clarke.

Het was afgelopen week de week van Richard Clarke. De gewezen voorman van de terrorismebestrijding zette Washington op zijn kop door de aanpak van George Bush in de oorlog tegen het terrorisme aan de kaak te stellen. Te oordelen naar de verhitte reactie van het Witte Huis heeft de felle aanklacht pijn gedaan. Maar niet om de redenen waaraan de meeste mensen denken.

Clarke verwijt de president dat hij na zijn aantreden ,,heeft vastgehouden aan Koude-Oorlogsthema's'' in plaats van het gevaar van Al-Qaeda te onderkennen. Hij zegt dat adviseur voor nationale veiligheid Condoleezza Rice een memo van hem uit januari 2001 heeft genegeerd waarin ,,dringend werd gevraagd om een bespreking op kabinetsniveau om iets te doen

tegen de dreigende Al-Qaeda-aanval''. Clarke heeft ook kritiek op de reactie van Bush op de aanslagen van 11 september 2001. Hij schetst een president die van begin af aan de overtuiging had dat Irak verantwoordelijk was en hij stelt dat alles wat Bush ,,na 11 september heeft gedaan onze veiligheid heeft verminderd''.

Wij hebben voor Clarke gewerkt als stafleden van de Nationale Veiligheidsraad onder de regering-Clinton. We kennen hem als een toegewijd overheidsdienaar, die geheel – bijna obsessief – opgaat in de strijd tegen het terrorisme. We twijfelen niet aan zijn motieven of aan zijn geloofwaardigheid.

Zijn tegenstanders schilderen Clarke af als een uitgerangeerde ambtenaar die zijn gram wil halen, zijn boek moet verkopen en nauw bevriend is met Rand Beers, de voornaamste adviseur-buitenland van presidentskandidaat en senator John Kerry. Dit argument van de zure druiven gaat voorbij aan het feit dat Rice op 11 september Clarke heeft gevraagd de reacties van het Witte Huis te leiden. Het verdoezelt ook het feit dat Clarke tijdens de Golfoorlog van 1991 aan de kant van vice-president Dick Cheney en onderminister van Defensie Paul Wolfowitz stond en hun oproep steunde naar Bagdad op te trekken. Onvermeld blijft ook dat Beers geen typische politieke adviseur is, maar een onderscheiden oud-marinier, die in 2003 zijn hoge post als terrorismebestrijder onder Bush opgaf uit protest tegen de in zijn ogen verkeerde regeringsaanpak van de terroristische dreiging.

De felheid waarmee regeringsfunctionarissen de motieven van Clarke hebben aangevallen, is verbazend. De basis van zijn verwijten inzake hun houding tegenover het terrorisme vóór 11 september 2001 wordt immers bevestigd door niemand anders dan Bush zelf. Neem de beschuldiging dat Bush geen voorrang gaf aan de bestrijding van Al-Qaeda. Eind 2001 zei Bush tegen de journalist Bob Woodward dat ,,mijn houding na 11 september ingrijpend anders was. Ik was er niet zo op gespitst''. Bush wist wel dat Osama bin Laden een gevaar was. ,,Maar ik voelde niet hoe nijpend het was en mijn bloed kookte lang niet zo als nu.''

Of neem de beschuldiging van Clarke dat Bush de aanslagen in New York en Washington meteen aan Irak probeerde te koppelen. Volgens de notities van de vergaderingen over nationale veiligheid die Woodward van het Witte Huis kreeg om zijn boek Bush at War te kunnen schrijven, besloot de president één van de eerste discussies over de mogelijke reacties op 11 september als volgt: ,,Volgens mij is Irak hierbij betrokken, maar ik val nu nog niet aan.'' In een latere vergadering beweerde hij dat ,,uiteindelijk Saddam Hussein hier waarschijnlijk achter zit''.

Deze onthullingen bevestigen ook de bredere, verontrustender kwestie die de verwijten van Clarke opwerpen, namelijk dat Bush de terroristische dreiging niet begrijpt. Bush en zijn adviseurs zien schurkenstaten en níét Al-Qaeda als het echte gevaar. Zo zei een woordvoerder van het ministerie van Defensie in antwoord op de bewering van Clarke dat Wolfowitz Al-Qaeda bagatelliseerde, dat Wolfowitz ,,er een groot gevaar voor de Amerikaanse veiligheid in zag, des te meer wegens de staatssteun die Al-Qaeda van de Talibaan kreeg en de mogelijke banden met Irak''.

Deze kijk op de terroristische dreiging deugt van geen kanten, nog afgezien van de dubieuze beweringen over de banden tussen Al-Qaeda en Irak. Al-Qaeda is een internationaal net van terroristen, meer een soort non-gouvernementele organisatie met tal van onafhankelijke afdelingen dan een staat. Het wordt gevoed door een islamistische ideologie en strekt zich uit tot de verste uithoeken van de wereld – niet alleen tot schurkenstaten en failliete landen, maar ook tot het Westen. En zijn terroristen kunnen toeslaan zonder de directe steun van staten. Juist daardoor is het zo beangstigend.

De beschuldigingen van Clarke hebben Bush daarom zo diep gestoken, omdat ze er in feite op neerkomen dat ruim twee jaar na de ergste terreuraanslag uit de geschiedenis de president en zijn adviseurs nog altijd niet doorhebben wat er is gebeurd. Dat is de ware – en onrustbarende – boodschap van het debat van vorige week.

Ivo H. Daalder en James M. Lindsay zijn de auteurs van `Amerika ontketend, de Bush-revolutie in de buitenlandse politiek' (2003).