Burgerschap

Of ik met de burgemeester over burgerschap wilde komen praten. Waarom ik? Ik ben niet terzake deskundig en bovendien geen fan van het woord, maar als de burgervader je roept, heb je te gehoorzamen. En het is niet zomaar een burgervader, het is Job Cohen, de man van wie ik vind dat hij de enige is die bewondering verdient en van wie hij zelf vindt dat hij de saaiste is van de wereld.

Hij is zo saai dat de enige grap die hij in zijn leven maakte bijna uit de hand liep. Tegen een interviewer bevestigde hij plompverloren dat hij een marmeren asbak door de ruit van theater De Balie had gegooid. Uit dronkenschap en woede, ja, een mooie combinatie. De interviewer was Frènk van der Linden en Frènk was zo aardig het mij van tevoren te laten weten, waarop ik als directeur van De Balie de ruit met vuilniszakken liet afplakken. Het is niet altijd leuk om directeur van een theater te zijn, de zeldzame momenten moet je koesteren.

Om half twaalf 's avonds ging de telefoon. Of ik een verklaring kon geven voor de gebeurtenis. Met de lijzigste stem die ik kon opbrengen betreurde ik de gebeurtenis, onze advocaat was al in contact met het gemeentebestuur, nee, aangifte had ik niet gedaan, wij heren onder elkaar zouden het wel oplossen, absoluut geen sprake van rancune, dat de woordvoerder van de burgemeester alleen maar lacht als hij met de feiten wordt geconfronteerd is des te pijnlijker, het liefst wil ik geen publiciteit over de kwestie, begrijpt u, meneer van het ANP, meneer van het Radio 1-journaal, laten we dit even uit de publiciteit houden, maar ja, of het waar is, u kunt even langsfietsen dan ziet u het zelf.

Ze fietsten werkelijk langs. Elders worden aanslagen gepleegd, bij ons bekommeren de wakkere journalisten zich over de vraag of een ruit al dan niet is ingegooid. Ze kwamen binnen in het theater en tuurden aandachtig naar de afgeplakte ruit en het viel ze niet op dat wij geen asbakken hebben van marmer. Ik weet het, het is zo flauw als de scholier die de brandweer belt, maar zoals ik zei, naar de burgervader heb je te luisteren.

Cohen wil het dus hebben over burgerschap en ik ben present. Hij geeft een powerpointpresentatie, Dat is heel gewichtig, zo'n presentatie, erg in de mode, geloof ik. Je kunt op het grote doek cirkels projecteren en namen aan de taartpunten geven, een punt heet betrokkenheid, een andere heet rechtsstaat, maar op de één of andere manier heeft deze manier van presenteren geen power en het is ook niet to the point, alleen maar modieus. De burgemeester kan beter met asbakken gaan gooien.

Maar hij meent het, de burgemeester van Amsterdam is immer geloofwaardig. Dat kun je niet van veel burgemeesters zeggen, en dat kun je van veel politici in deze tijd al helemáál niet zeggen. Hij hield zich staande, ondanks die powerpointpresentatie, zoals alleen Cohen zich staande kan houden. Mooie, lange man, prachtige stem. Als hij staat en praat en gebaart, denk je, die man wil ik als president, maar die functie bestaat in Nederland niet.

Een rector van een school mag eerst commentaar geven op de presentatie van de burgemeester, en dat doet hij als een rector, ik leer mijn kinderen spreken met twee woorden. Het is niet zo'n handig commentaar, want de man klinkt te succesvol, iets te zelfingenomen, maar dat is misschien een vereiste om rector te kunnen worden. Daarna mag ik, theaterdirecteur. De burgemeester heeft intussen zijn hoofd in zijn handen, hij moet straks handtekeningen van uitgeprocedeerde asielzoekers in ontvangst nemen, maar ik verklaar hem moe.

Ik heb geen powerpointpresentatie, dat moet ik nog onder de knie krijgen. Ik zie de burgervader slechts bukken en zijn mooie, lange vingers zijn slapen kneden, en zeg: ik wens u het burgemeesterschap van Loenen aan de Vecht toe.

Leuke opening, dacht ik zo, en de burgemeester gaat inderdaad even rechtop zitten met de armen over elkaar. Dat ik hier ben is een burgerplicht en als de burgemeester je een seconde aandacht geeft, heb je je premie al binnen. Ik kletste vervolgens wat voor me uit en ach, de premie was binnen. Maar pas later besefte ik wat ik had moeten zeggen. Dat overkomt me vaak, dat ik voor me uit klets en later pas weet wat ik had moeten zeggen. Ik zeg het dan thuis tegen mijn vrouw, die mij de vertederende blik geeft die past bij de voor zich uit kletsende man. Ik zou mijn huwelijk voor geen cent willen ruilen, mijn vrouw begrijpt mij, zonder powerpointpresentatie.

Achteraf begreep ik dus dat ik dat hele woord moest afwijzen: burgerschap. Waarom zou je het burgerschap noemen, als je het wilt hebben over wildplassen, spugen en hufterigheid. Met burgerschap roepen we alle bijbetekenissen op die we juist willen vermijden: kleinburger, de blanke Nederlander dus; inburgering, de vloek van de buitenlander. Burgerschap in de betekenis van gebrek aan burgerfatsoen wijst lijnrecht naar al die lui die naar de moskee wandelen in hun traditionele kledij en het valt niet mee, wildplassen in een djellaba.

Natuurlijk begrijp ik dat de burgemeester het helemaal niet zo bedoelde. Volgens mij is hij helemaal geen tegenstander van de djellaba. Hij is zelfs niet tegen hoofddoekjes en hij is voor gescheiden zwemmen. Kinderen moeten niet verzuipen in de hang naar integratie, onze burgemeester is een man naar mijn hart.

Maar van waar het woord burgerschap, met al zijn onhandige connotaties? Kom, als je een marmeren asbak door de ruit van De Balie kunt gooien, kun je ook het juiste woord verzinnen voor waar je het echt over wilt hebben: stedelijke etiquette.

Keurigheid, burgemeester, u wilt keurige stedelingen om u heen, zoals de keurige dorpelingen in Loenen aan de Vecht. Uiteraard, in Loenen lopen er niet zoveel in djellaba en wildplassen doen ze al helemaal niet, maar het woord is etiquette, en dát willen we in heel Nederland terug.

Ik vertelde het vol vuur aan mijn vrouw en ze schonk me een kopje thee in.

ramdas@nrc.nl