Asiel voor Algerijnse deserteur ligt lastig

Abdelkader Tigha wil getuigen over een geruchtmakende moordzaak in Algerije, in ruil voor asiel. Maar niemand verleent hem dit.

Hij is ,,erg teleurgesteld''. Beter gezegd: Abdelkader Tigha (36) is wóedend. Sinds december zit de voormalige adjudant van de Algerijnse militaire inlichtingendienst vast in het grenshospitium aan de Buitenweg in Amsterdam Zuidoost – waar uitgeprocedeerde asielzoekers wachten op hun uitzetting. ,,Een gevangenis'', laat Tigha telefonisch weten. Hij windt zich op. ,,Mijn probleem heeft niets met asiel te maken. Het is een politieke kwestie.''

Een gewone asielzoeker is Tigha niet. In Frankrijk is de Algerijnse deserteur `nieuws'. Tigha is naar eigen zeggen een getuige in de geruchtmakende moordzaak van zeven Franse monniken, die in 1996 uit hun klooster in Tibéhirine in Algerije worden ontvoerd en waarvan alleen de hoofden werden teruggevonden. Tigha zag hoe de Trappisten per legertruck arriveerden op het hoofdkwartier van de inlichtingendienst in Blida – waarna ze volgens hem werden overgedragen aan de ondergrondse van Djamel Zitouni, `emir' van de moslim-extremistische GIA. Daarmee bevestigt Tigha wat anderen al voor hem hebben gezegd: het Algerijnse generaalsregime heeft jarenlang extremistische groeperingen als de GIA gemanipuleerd. De generaals zouden daarmee zelf schuldig zijn aan de moord op duizenden onschuldige burgers.

Deze constatering ligt gevoelig in Frankrijk. Sinds de onafhankelijkheid in 1962 is Algerije Frankrijks achtertuin gebleven. Voor de Franse inlichtingendienst zijn de Algerijnen gewaardeerde partners in de strijd tegen het moslimterrorisme. Dat de Fransen geen weet hadden van de `vuile oorlog' van de Algerijnse generaals lijkt onwaarschijnlijk. ,,Tigha is een kroongetuige'', zegt Mohammed Samraoui, een Algerijnse ex-geheim agent die een geruchtmakend boek schreef over de rol van de Algerijnse inlichtingendienst tijdens de burgeroorlog. Volgens Samraoui zal door de getuigenis van Tigha de rol van de Franse geheime dienst als ,,geprivilegieerde partner'' van de Algerijnse inlichtingendienst DRS naar voren komen. ,,Ze moeten het geweten hebben.''

,,Waar ik bang voor ben'', zegt Tigha, ,,is dat Frankrijk mijn asielprocedure hier zal proberen te beïnvloeden.'' Goede ervaringen met Frankrijk heeft de voormalige onderofficier tot nu toe niet gehad. Na zijn vlucht uit Algiers in 1999 reist Tigha op aanraden van de Franse autoriteiten naar Thailand. In Bangkok voert hij gesprekken met de Franse geheime dienst. De Fransen stellen voor dat hij voor hen gaat werken in een Arabisch land. Ze bieden geld, zegt Tigha, in ruil voor zijn stilzwijgen. Maar Tigha wil iets anders: asiel. Bovendien wil hij getuigen. Daarin zijn de Fransen veel minder geïnteresseerd. De onderhandelingen lopen stuk: Tigha blijft alleen achter in Bangkok. Als zijn toeristenvisum verloopt, wordt hij opgepakt.

In 2003 komt Tigha vrij en dreigt uitlevering aan Algerije. Mensenrechtenorganisatie Féderation de ligues de Droits de l'Homme (FIDH) trekt zich het lot van de Algerijn aan en probeert hem uit handen van de Algerijnse autoriteiten te houden. Tigha vliegt naar Jordanië. Maar ook daar moet hij weg. Tigha: ,,Men zei mij dat mijn leven in gevaar was.'' De FIDH doet een dringend appèl op de Franse president Jacques Chirac om Tigha asiel te verlenen. Chirac weigert. De Franse autoriteiten zullen ,,alles'' doen ,,wat in hun vermogen ligt'' om een ,,humanitaire oplossing'' te vinden, maar verstrekken geen visum. Wel heeft Frankrijk, zo schrijft conseiller diplomatique Gourdoult-Montagne, ,,contact opgenomen met de Jordaanse autoriteiten om hen op de hoogte te brengen en te vragen niets te doen dat belanghebbende in gevaar kan brengen.''

Op 2 december 2003 neemt Tigha het vliegtuig naar Kuala Lumpur, met als tussenstop Amsterdam. Op Schiphol wacht advocate Liesbeth Zegveld. Zij loodst Tigha de Nederlandse asielprocedure in. In februari wordt de asielaanvraag afgewezen. Volgens de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) vormt Tigha `een gevaar voor de openbare orde' omdat er aanwijzingen zijn dat hij valt onder artikel `1F' van het internationale Vluchtelingenverdrag. Van deze ex-werknemer van een Algerijnse inlichtingendienst acht de IND het heel wel mogelijk dat hij tijdens de Algerijnse `vuile oorlog' betrokken is geweest bij martelingen en executies. Concrete aanwijzingen zijn er niet. De IND baseert de afwijzing op het feit dat Tigha toegeeft deel te hebben uitgemaakt van de inlichtingendienst. Voor de IND is dat genoeg. Tigha krijgt geen status. Maar, zo laat de IND weten, hij zal niet aan Algerije worden uitgeleverd – daar zou hij wel wel eens kunnen worden onderworpen aan foltering.

Begin februari opent de Franse justitie een onderzoek naar de moord op de monniken, na een klacht van nabestaanden. Het onderzoek richt zich `ontvoering, gijzeling en moord in verband met een terroristische daad'. Daarmee lijkt de GIA als hoofdschuldige vast te staan, zo schrijft de Franse krant Le Monde. Onderzoeksleider is rechter Jean-Louis Brugière, belast met terrorismezaken. Hij onderhoudt vanwege zijn functie banden met de Franse en Algerijnse inlichtingendiensten. ,,Het probleem met Brugière'', zegt Tigha, ,,is dat hij jarenlang heeft samengewerkt met mijn chef.''