Wie niet leest is een watje

Het merendeel van de vmbo-ers blijkt lezen leuk te vinden. Dan moet de hoofdpersoon zich wel geloofwaardig gedragen.

Er is iets vreemds aan de hand met scholieren op het vmbo. Als je ze vraagt `voel je iets als je een boek leest?' antwoorden ze vrijwel unaniem `nee'. Ze zeggen zich niet te identificeren met de personages in het verhaal, geen emoties te voelen bij gebeurtenissen en zich niets te kunnen verbeelden. Maar, als je ze fragmenten uit boeken laat lezen en dóórvraagt blijkt het tegendeel waar. Dan blijkt dat ze wel degelijk meeleven met personages in het boek, kwaad worden op de situatie, dat ze kunnen lachen om wat er gebeurt of juist huilen.

Ra, ra, hoe kan dat? Hebben vmbo-ers een negatief beeld van zichzelf – `dat kan ik toch niet' – of is het zo dat je een `watje' bent als je leest, laat staan als je ook nog eens iets vóelt bij wat je leest? Volgens Ineke Guldemond, die onderzoek deed naar het leesgedrag van vmbo-ers, zou dat heel goed kunnen kloppen, maar blijft het bij filosoferen over het waarom. ``Wat vaststaat is dat deze jongeren in wezen nooit geleerd hebben om te praten over wat ze ervaren bij een tekst. Maar als je ze op de juiste manier vragen stelt, kunnen ze dat wel. Dus niet: `leef je mee met de hoofdpersoon?', maar `hoe zou jij je voelen als dit jou overkwam?'. Dan komen ze los.''

`Emotionele betrokkenheid bij jeugdliteraire teksten', heet het vorig jaar verschenen onderzoek van Guldemond, die verbonden is aan de lerarenopleiding van de Fontys Hogeschool in Tilburg. Zij vroeg middels een enquête 170 leerlingen uit 2-vmbo naar hun leesgedrag en legde aan 52 leerlingen acht tekstfragmenten voor van verschillende literatuurgenres. Twaalf van hen interviewde Guldemond persoonlijk over hun leeservaringen.

Uit het onderzoek komt naar voren dat vmbo-scholieren een boek pas waarderen als ze zich er emotioneel bij betrokken voelen. Ze hoeven zich niet te identificeren met een personage, maar de personages moeten zich wel geloofwaardig gedragen, anders haken de lezers af. Verhalen in de `ik-vorm' kampen met een soortgelijk euvel. Als de `ik' een meisje is, leggen jongens het boek opzij. En er zijn meer struikelblokken. Deze leerlingen beginnen liever niet aan een verhaal waarin de dood een grote rol speelt. Dat is té erg. Een boek moet `spannend' zijn, zeggen de jongeren zelf, maar die kwalificatie blijkt voor velerlei uitleg vatbaar. Want het meest favoriete fragment in de lijst van Guldemond was niet het griezelverhaal (`De Spiegelvrouw' van Theo Hoogstraten), maar het verhaal van een geadopteerd meisje dat een brief krijgt van haar biologische moeder (`Little Emma' van Gerda van Cleemput).

Het onderzoek van Guldemond werd financieel gesteund door de Stichting Lezen en staat niet op zichzelf. De afgelopen jaren zagen `Leesgedrag van vmbo-leerlingen' van Saskia Tellegen en Mirjam Lampe en `Tekstbegrip en tekstwaardering op het vmbo' van Jentine Land e.a. het licht. Al deze onderzoeken moeten het fabeltje dat vmbo-leerlingen niet (graag) lezen uit de wereld helpen. Want het merendeel van de vmbo-ers blijkt lezen leuk te vinden. Ze lezen weliswaar minder dan hun leeftijdgenoten op het havo of vwo, maar het ontloopt elkaar niet echt veel.

Jongeren lezen in zijn algemeenheid niet echt veel voor hun plezier: gemiddeld nog geen vier uur per week. Maar met een goed leesbeleid valt daar wellicht wat aan te verbeteren. En dat is belangrijk, zo schrijven Tellegen en Lampe, `want als leerlingen uit eigen ervaring weten dat lezen een boeiende bezigheid kan zijn, dan is de kans groot dat zij nu en later, uit zichzelf en met enige regelmaat, gaan lezen en blijven lezen'. En lezen vergroot je taalvaardigheid, je algemene ontwikkeling, maar ook je inlevingsvermogen in anderen. En dat is juist in deze tijd waarin de eigen gevoelens altijd voorop lijken te staan een niet onbelangrijke vaardigheid. Guldemond: ``Als je meer leest herken je ook meer emoties in teksten. En als je dat kunt, ben je daar ook in het dagelijkse leven beter toe in staat. Dan kun je beter inschatten wat voor effecten jouw gedrag op een ander heeft, om maar eens iets te noemen.''

Wat is een goed leesbeleid? Tellegen en Lampe wijzen op het belang van variatie: een gevarieerd boekenbestand op school, gevarieerde opdrachten. Daar sluit het leesbevorderingsprogramma Bazar, ontwikkeld door de CED-Groep in Rotterdam, prima op aan. Bazar heeft verschillende projecten voor ieder leerjaar van het vmbo, uiteenlopend van het maken van een stripverhaal tot het uitnodigen van een schrijver in de klas. Ook het lezen van boeken rondom verschillende thema's en daar verslagen over maken (traditioneel geschreven of in de vorm van een tekening of een filmpje) hoort erbij. Zo bouwen de leerlingen hun eigen `fictiedossier' op, een verplicht onderdeel voor het eindexamen vmbo.

Guldemond zou graag zien dat docenten meer voorlezen. ``Uit mijn onderzoek blijkt dat dertig procent van de leerlingen een boek helemaal wil gaan lezen als de leraar een fragment heeft voorgelezen dat ze aanspreekt. Het is de perfecte manier om jongeren kennis te laten maken met verschillende genres.'' Sowieso is de docent een belangrijke gids voor zijn leerlingen. En dus moeten docenten zelf ook veel jeugdliteratuur lezen, vindt Guldemond. ``Pas als je zelf goed op de hoogte bent, kun je leerlingen goed verwijzen. En kun je je leerlingen ook behoeden voor negatieve ervaringen. Te kinderachtige boeken bijvoorbeeld, of juist te lastige boeken.''

Want hoewel Guldemond een broertje dood heeft aan de generaliserende toon die nogal eens wordt aangeslagen als het over `de' vmbo-leerling gaat, blijkt uit haar onderzoek dat er wel degelijk een plafond is aan wat deze scholieren gemiddeld aankunnen. Overgangsliteratuur – het genre tussen servet en tafellaken in, van schrijvers als Imme Dros – is te moeilijk. ``Door de lastige constructie van deze verhalen, de perspectiefwisselingen, snapt de meerderheid van de leerlingen het niet.''

Tot slot zijn mede-leerlingen belangrijke wegwijzers in boekenland. Een enthousiaste spreekbeurt over een boek zet aan tot lezen. Gewoon mond-op-mond-reclame dus.