Vmbo 1

`Spijt is wat een koe schijt.' Dat was mijn eerste en erg primaire reactie na het lezen van De hervormers hebben spijt van Guus Valk (Z , 13 maart). Valk laat in zijn artikel een aantal mensen aan het woord die destijds vanuit hun functie betrokken waren bij de voorbereiding en de invoering van het vmbo. En wat blijkt: achteraf heeft iedereen zo zijn eigen particuliere redenen om ontevreden te zijn met het vmbo; net zoals men destijds eigen particuliere redenen (idealen, belangen) had om er voor te zijn. Waarover ik me echt opwind, is de teneur van de spijtbetuigingen: wij waren er bij, helaas is het anders gelopen dan we verwachtten, hoopten of wilden geloven, maar aan ons lag dat niet hoor, wij hadden de beste bedoelingen, hebben gewaarschuwd, konden het ook niet tegenhouden. Het eigen stoepje schoonvegen, heet dat.

Als het artikel iets duidelijk maakt, is het dat de Tweede Kamer niet goed functioneert. Hoe kan het dat een Kamer unaniem met de vmbo-plannen instemde, terwijl een groot deel van de Tweede en Eerste Kamer er volgens Veling sceptisch over was en dat sommige fracties, in ieder geval die van Veling en Lambrechts die in het artikel aan het woord komen, tegen waren.

Dat ,,plannen een eigen dynamiek krijgen'' (Veling) of dat er sprake is van een sneeuwbaleffect (Lambrechts) weten we. Maar als je je daar als volksvertegenwoordiger bij neerlegt, betekent dat het failliet van de Tweede Kamer: hoe kun je je controlerende taak dan nog waarmaken?