Turkse tortel

Dit is het landschap van de grote Nederlandse vlakten: de veenkoloniën van Oost-Groningen en Oost-Drenthe. In de pastorietuin te Musselkanaal broedde in 1950 het eerste paartje van de Turkse tortel (Streptopelia decaocto). De jongen vlogen in september uit, tamelijk laat. Nu is deze beigekleurige duif met een lange staart, aan de overzijde eindigend in een witte rand, een veelgeziene standvogel in alle streken van het land. Op de achterzijde van de hals heeft hij een zwarte band, die hem in het Engels de naam Collared Turtle Dove geeft. De vogel is afkomstig van de Balkanlanden en verspreidde zich via Duitsland naar Nederland; ook het Frans en Duits bevestigen de Turkse afkomst, Tourterelle turque en Türkentaube. Over het verenkleed ligt een fraaie, wat rossige gloed. De duif heeft een lichte, klapperende vleugelslag. Zijn roep vertoont verwantschap met die van de lachduif. In de voorjaarsbomen met pril groen of bloesem klinkt de diepe, koerende zang van het mannetje. Ook in de vlucht en bij het neerstrijken laat hij zijn drielettergrepig gekoer horen. In de baltsvlucht waaiert de staart uiteen, het mannetje kan zelfs met snelle vleugelslag stilhangen in de lucht.

Illustratie: Rein Stuurman

(Zien is kennen!)

freriks@nrc.nl