Stress door de tang

Posttraumatische stressklachten na de bevalling hangen samen met duidelijke informatie over ingrepen tijdens de bevalling. Postnatale depressies kunnen worden voorspeld op grond van persoonlijkheidskenmerken.

Goede informatie over ingrepen tijdens de bevalling verlaagt de kans op posttraumatische stressklachten na de bevalling. Dit blijkt uit het proefschrift van ontwikkelingspsycholoog Gerda Verkerk, Postpartum Depression, waarop zij deze week promoveert aan de Universiteit van Tilburg. Tegen de verwachting in bleek de steun door de partner tijdens de weeën niet van invloed. In haar onderzoek, onder 1200 zwangere vrouwen voor en na de geboorte, ontdekte ze ook dat de kans op een postnatale depressie (een heel andere klacht dan posttraumatische stress) redelijk te voorspellen is op grond van bepaalde persoonlijkheidskenmerken en eerdere eigen depressies of depressie bij familieleden.

Haar conclusie over de posttraumatische stress heeft belangrijkse implicaties voor de verloskundige praktijk, vindt Verkerk desgevraagd. ``Vooral als een bevalling uitmondt in een vacuüm- of een tangverlossing, is het belangrijk dat de verloskundige, gynaecoloog of verpleegkundige er ter plekke goede informatie over geven. Ook als ze in de hectiek van het moment geneigd zijn dat te vergeten.''

Posttraumatische stressklachten na de bevalling komen in milde vorm voor bij de helft, en in heviger vorm bij 8 procent van de vrouwen. De klachten, zoals angstdromen, flashbacks of dwanggedachten over de bevalling, houden vaak lang aan, tot zeker een jaar na de bevalling. De kans op posttraumatische stress is verhoogd als vrouwen tijdens de bevalling hebben gedissocieerd. Dat wil zeggen dat ze door de extreme stress in een toestand terechtkwamen van verdoving, depersonalisatie en emotieloosheid, en dat ze het gevoel hadden `niet in hun lichaam te zitten'. De kans op dissociatie neemt toe bij een verlossing die door medisch ingrijpen tot stand is gekomen, bij extreme bevallingspijn (die vaak weer verband houdt met zo'n `kunstverlossing') en bij eerder doorgemaakte depressies.

vacuümbevalling

Hoewel Verkerk niet heeft onderzocht of pijnbestrijding tijdens de bevalling de kans op posttraumatische stressklachten vermindert, is dat waarschijnlijk niet het geval, vertelt ze. Uit ander onderzoek blijkt dat ook als vrouwen pijnbestrijding krijgen, de invloed van een tang- of vacuümbevalling onverminderd doorwerkt. ``Pijnbestrijding tijdens de bevalling lijkt de kans op posttraumatische stress niet te verminderen'', zegt de promovenda.

Zoals al vermeld, zocht Verkerk in haar onderzoek ook naar de oorzaken van een postnatale depressie (postpartumdepressie) en naar mogelijkheden om die te voorkomen. Een postpartumdepressie – niet te verwarren met de veel mildere postpartum blues en de veel ernstiger postpartumpsychose – treft minstens 10 procent van de vrouwen in het eerste jaar na de bevalling. Ze zijn somber, snel in tranen, angstig en lijden veelvuldig aan slapeloosheid en agressieve dwanggedachten over de baby. Mede vanwege het taboe dat erop rust – jonge moeders worden met een roze wolk geassocieerd – wordt een postnatale depressie vaak niet onderkend. Ook realiseren zorgverleners zich vaak niet dat de klachten ook nog een aantal maanden na de bevalling kunnen optreden.

De impact van een postpartumdepressie is groot, op de relatie met de partner en de baby en op het sociale leven. Depressieve moeders raken vaak in een isolement. Bij de helft van vrouwen sudderen de klachten door tot twee jaar na de bevalling.

Verkerk ontdekte dat een postnatale depressie tot op zekere hoogte al tijdens de zwangerschap is te voorspellen. Verkerk volgde een groep van bijna 1200 vrouwen vanaf de zwangerschap tot een jaar na de bevalling. In het tweede trimester van de zwangerschap vulden de vrouwen vragenlijsten in, waarbij ze onder meer aangaven of ze eerder een depressie hadden doorgemaakt, of er depressies in de familie voorkwamen en of ze tijdens de zwangerschap depressief waren. Al deze risicofactoren bleken de kans op een postpartumdepressie te verhogen, maar niet zozeer dat ze een betrouwbaar screeningsinstrument vormden. Op grond van de vragenlijst behoorde namelijk bijna de helft van de zwangere vrouwen tot de hoogrisicogroep, maar kreeg slechts 25 procent daarvan in het eerste jaar een postpartumdepressie. Van de laagrisicovrouwen was dat 6 procent.

Verkerk maakte haar test specifieker door er persoonlijkheidskenmerken in op te nemen. Hoge scores voor neuroticisme (gespannenheid, onzekerheid, zich snel zorgen maken) én introversie (geremdheid en verlegenheid) verviervoudigden de kans op een postpartumdepressie. Tot slot verbeterde Verkerk haar screeningsinstrument door hoogrisicovrouwen de vraag te stellen of ze behoefte hadden aan psychologische counseling na de bevalling – tien wekelijkse sessies van een halfuur. De vrouwen die aan het eind van de zwangerschap aangaven dat graag te willen, bleken een zeven keer verhoogde kans te hebben op een depressie in het eerste jaar na de bevalling. Wanneer zwangere vrouwen vragen om psychische hulp, aldus Verkerk, moeten verloskundigen en gynaecologen dat dus serieus nemen. Vrouwen zijn klaarblijkelijk goed in staat om zelf hun risico op ernstiger psychische problemen in te schatten.

Helaas konden de tien wekelijkse counselingsessies die Verkerk de hoogrisicovrouwen aanbood, een depressie niet voorkomen. De sessies waren non-directief, dat wil zeggen steunend, maar vooral erop gericht om de vrouwen over hun gevoelens te laten praten en zelf oplossingen te laten aandragen voor hun problemen. Hoewel de vrouwen tevreden waren over het wekelijkse praatuurtje, hielp het zelfs niet om hun stemming te verbeteren.

Hoewel een postpartumdepressie dus niet is te voorkomen, vindt Verkerk het toch belangrijk dat hoogrisicovrouwen al in de zwangerschap worden opgespoord. Verkerk: ``Het helpt om de ziekte vroeg te herkennen en te behandelen, met psychotherapie of medicijnen. Dat komt de prognose ten goede.''