Sportarts zoekt vergeefs naar onderdak

Sportarts Peter Vergouwen kan na zijn vertrek bij Numico vooralsnog nergens onderdak vinden. De sportmedische zorg heeft in Nederland geen hoge prioriteit.

Vier maanden na de ontmanteling van zijn afdeling topsportgeneeskunde in Wageningen, door het voedingsconcern Numico, zit sportarts Peter Vergouwen nog werkeloos thuis. Zijn situatie is exemplarisch voor de kwetsbaarheid van de medische begeleiding van topsporters in Nederland.

Het wegvallen van Vergouwen past in het sombere beeld dat de atletencommissie van de sportkoepel NOC*NSF recentelijk schetste naar aanleiding van een rapport over de toegankelijkheid van sportmedische zorg. Daaruit bleek dat een sporter gemiddeld 26,2 keer per jaar een beroep doet op medische hulp en zijn kosten 3,4 keer hoger zijn dan van de gemiddelde Nederlander. De conclusie was dat de financiële drempels voor velen te hoog zijn en de preventieve zorg daar vooral onder lijdt.

Hoewel Vergouwen niet de enige vakbekwame sportarts is, symboliseerde hij bij uitstek de ideale symbiose tussen sporter en medicus. De Arnhemmer begeleidde met zijn afdeling een 150-tal Nederlandse en buitenlandse topsporters op een wijze die de atleten als ideaal ervoeren. Vergouwens werkwijze is gebaseerd op een combinatie van medische zorg, inspanningsfysiologie, voedingsadviezen, wetenschappelijk onderzoek en intensieve persoonlijke aandacht.

Zijn voorsprong op collega-sportartsen was, dat hij onvoorwaardelijk voor de topsport had gekozen en met kampioenen, onder wie de ex-tennisser Richard Krajicek, de judoka Mark Huizinga en de atleten Kamiel Maase, Simon Vroemen, Haile Gebrselassie en Lornah Kiplagat, een vertrouwensband had opgebouwd. Geen topsporter uit zijn praktijk zit sinds het wegvallen van Vergouwen zonder medische begeleiding, maar allen missen zijn toegevoegde waarde. Bovendien kwam zijn gedwongen inactiviteit op een ongelukkig moment: acht maanden voor de Olympische Spelen in Athene. Met als gevolg dat de voorbereiding op de Spelen van een dertigtal sporters werd verstoord.

Behalve de sporters in kwestie ergerde dat vooral Joop Alberda, technisch directeur van NOC*NSF, en Jos Hermens, de manager van veel atleten die met Vergouwen samenwerkten. Alberda zag het gevaar van verdampte olympisch perspectieven en Hermens vreesde de toename van blessures en eventueel kapitaalvernietiging. Beiden hebben zich erg ingespannen, en doen dat nog steeds, om Vergouwen elders onder te brengen. Tot op heden vergeefs.

De eerste poging werd gedaan bij de St. Maartenskliniek in Nijmegen, waar een afdeling topsportgeneeskunde, naast de beschikbare kennis over orthopedie, reumatologie en revalidatie, als een hoogwaardige aanvulling van een op te richten sportexpertisecentrum werd gezien. Na ampel beraad besloot de directie op bedrijfseconomische gronden van die incorporatie af te zien. Vervolgens werden gesprekken gevoerd met Sanasport, het sportmedisch trainingscentrum van het Canisius-Wilhelmina Ziekenhuis in Nijmegen. Maar ook die samenwerking strandde door geldgebrek.

Het kost jaarlijks minimaal 200.000 euro om Vergouwen zijn werk te laten doen. Dat bedrag kon geen van de twee instellingen ophoesten, net zo min als er partners, donoren of sponsors voor gevonden konden worden.

Inmiddels neemt Hermens' bedrijf Global Sports Communication het management van Vergouwen voor zijn rekening. Deels uit eigenbelang, erkent Hermens. ,,Om de simpele reden dat veel van onze atleten door Vergouwen worden begeleid. Het liefst zou ik zijn afdeling bij ons bedrijf onderbrengen, maar met een jaaromzet van 15 miljoen euro en een winstmarge van zo'n 30.000 euro kan ik dat niet betalen. Onder voorwaarde dat de tarieven worden gedifferentieerd, denk ik persoonlijk dat een organisatie zoals Vergouwen die runt zichzelf moet kunnen bedruipen. De goedbetaalde atleten zullen dan meer moeten betalen dan de minderbedeelden. Gebrselassie is best bereid 1.000 euro neer te tellen voor een behandeling door Vergouwen. En van de Nederlanders komt iemand als Maase in aanmerking voor hoge tarieven.''

Vooralsnog gaat Vergouwen niet zelfstandig verder, maar zoekt hij onderdak bij bestaande instellingen. Na de mislukte pogingen in Nijmegen heeft de sportarts zijn vizier verlegd naar het ziekenhuis de Gelderse Vallei in Ede, waarmee hij in zijn periode bij Numico reeds intensief samenwerkte. Over de kans van slagen laat kan Hermens niets zeggen, terwijl een woordvoerder van het Edese ziekenhuis niet meer kwijt wil dan de bevestiging dat er gesprekken met Vergouwen worden gevoerd.

Afgezet tegen de bedragen die er in de gezondheidszorg omgaan, is de discussie over 200.000 euro per jaar een niemendalletje. Maar het geld komt niet op tafel, omdat in Nederland vaak andere prioriteiten worden gesteld als het om topsport gaat. Het gepingpong met Vergouwen is wrang voor hem pesoonlijk, evenals voor de sporters die hij behandelt en geeft aan dat het Nederland aan een goede structuur van medische topsportbegeleiding ontbreekt. Er is, om maar wat te noemen, geen verzekeraar waar een topsportpolis kan worden afgesloten. Een sporter valt buiten de klassieke hulpverlening en als hij met betrekking tot de medische begeleiding ook nog de `verkeerde' sport heeft gekozen, draait hij zelf voor de kosten op. En vanwege het specialisme dat een topsporter verlangt, ontstijgen die de gangbare tarieven voor consulten.

Sinds Alberda zich over de Nederlandse topsport heeft ontfermd, heeft hij moeten constateren dat de (para)medische zorg niet is meegegroeid met de internationale eisen die aan topsporters worden gesteld. ,,Zij vormen een risicogroep, omdat topsport impliceert dat je fysiek en mentaal op het randje van je capaciteiten balanceert. Topsport stelt tegenwoordig hoge eisen aan kwaliteit; trainingsweken van 30 tot 35 uur zijn geen uitzondering. Ik vind dat bij elke training een fysiotherapeut aanwezig moet zijn. Bij de nationale volleybalploegen is dat het geval, maar bijvoorbeeld niet bij het turnen. Zo blijft het behelpen.''