Reuzenkrabben

Een week of drie geleden werd bekend dat Nederland binnenkort bedreigd zal worden door een reuzenkrab die, als gevolg van het broeikaseffect, zich met ongekende snelheid voortplant in de Noorse wateren. De voorhoede was al bij Jutland waargenomen. Nog twee jaar en dan hadden ze Rottum bereikt. Op de televisie liet een deskundige zich met zo'n krab filmen. Een dier zo groot als zijn borstkas.

Wat een prachtig nieuws. Om te beginnen al de bewoordingen: voortplanten, Noorse wateren, Jutland, Rottum. Doet denken aan de klas, de biologieles, een grote, scherp getekende plaat van een opengemaakte reuzenkrab, met de namen van alle organen. Aardrijkskunde, het raadselachtige onbewoonde Rottum, de ijskoude Noorse wateren. Die zijn nu aan het opwarmen. De krabben weten niet hoe ze het hebben, ze gedijen. In de zomer van 2006 is het zo ver. Met een paar miljoen lopen ze onder water langs de hele Nederlandse kust. De stranden zijn verlaten. Keihard aanpakken! is de boodschap van Balkenende, Donner en Remkes. Maar hoe? Over de wijze van aanpak zijn de columnisten elkaar aan het demoniseren. De rest kan iedereen zelf verzinnen.

Het is niet voor het eerst dat Nederland door krabben wordt bedreigd. In de jaren dertig werd in onze sloten de wolhandkrab aangetroffen. Die was in 1912 uit China eerst naar Duitsland gekomen, toen de Rijn opgezwommen naar Nederland om zich hier in de toen nog vruchtbare sloten te verspreiden. Als kind heb ik zo'n wolhandkrab gekend. Ik was bevriend geraakt met een `fuikenlichter'. Dat is een soort stroper, iemand die andermans fuiken licht en de vis steelt. In zo'n fuik had hij een wolhandkrab gevonden, het dier mee naar huis genomen en in een groot aquarium gedaan. Als kind kun je zoiets hebben: ik raakte verslaafd aan de aanblik van de wolhandkrab, zijn dunne, lange van weerhaken voorziene poten, zijn scharen, het onophoudelijk klein gewriemel in zijn bek. John F.Kennedy was nog niet geboren, maar ik dacht – althans de strekking van wat ik dacht, luidde: Ich bin auch eine Krabbe. Maar Krabbe betekent eigenlijk garnaal. Mijn woordenboek zegt dat het Duitse woord voor krab Dwarslöper is. Het klinkt wel goed maar niet Duits. Na lang zeuren mijnerzijds heeft deze fuikenlichter de wolhandkrab vrijgelaten.

Veel en veel later was ik aan het strand van Tavira in Portugal – een brede, hier en daar wat modderige vlakte. Opeens ontstond er beweging in de modder. Een krab werkte zich naar boven en begon met zijn rechterschaar te zwaaien. Ik bleef doodstil staan. Meer krabben kwamen tevoorschijn, allemaal zwaaiend. Na een paar minuten stond ik daar in de eenzame natuur voor een menigte van honderden geluidloos zwaaiende krabben. Het bleken, zoals ik later heb gelezen, wenkkrabben te zijn. Ze zwaaien met hun rechterschaar die veel groter is dan de linker.

Wat een zegen dat er dieren zijn, vooral insecten, spinnen, schaaldieren. Waarom? Omdat ze zo ver van de zoogdieren staan; omdat ze me direct terugbrengen tot de fascinaties van mijn kindertijd. De aanstaande invasie van de reuzenkrabben deed me denken aan de marabunta, het mierenleger in opmars. Tot m'n verdriet, maar misschien ook wel geluk, heb ik dat zelf nooit gezien. De metershoge mierenhopen stromen leeg. Waarom dat gebeurt is niet duidelijk. Misschien omdat de omgeving totaal kaalgevreten is, zodat ze ergens anders moeten gaan plunderen; misschien omdat er een teken van Boven is ontvangen. Dan beweegt een brede, zwart-bruine glinsterende stroom van miljoenen zich door de bossen, over de velden, heuvel op, heuvel af. Een hert probeert dwars door de stroom te vluchten. Vergeefs. Iedere keer als hij een poot op aarde zet, springen tientallen mieren op de hoef, werken zich omhoog. Het dier neemt langzaam de kleur van de marabunta aan, terwijl hij al rennend verder wordt leeggezogen, opgevreten. Dan valt hij uitgeput neer. Als de miljoenen voorbij zijn, ligt daar een geraamte.

Dan wordt er een boerderij belaagd. De boer en zijn familie hebben het zien aankomen, een greppel om het huis gegraven en die volgegoten met olie of benzine. De voorhoede van de marabunta begint aan de oversteek. Als de greppel vol glinsterend gedrang is, steekt de boer de brandstof aan. Zo gaat het verder. Echelon na echelon vindt knisperend de vuurdood, maar telkens komen er nieuwe. Het lijkt op de Eerste Wereldoorlog. De brandstof raakt op. Hoe loopt het af? Dat weet ik niet meer. Ik las het verhaal toen ik een jaar of negen was.

Gelukkig wordt het weer zomer. De tijd om de krabben en mieren te bestuderen. U boft als u in de buurt van een mierenhoop kampeert. Hurk neer bij hun wegennet. Komen mieren wel eens met elkaar in botsing (gesteld dat ze tot dezelfde stam horen); doen ze aan bumperkleven; proberen ze elkaar in te halen? Hoe lang ik ook al heb gekeken, nooit heb ik een inhalende mier gezien. En nu komen de reuzenkrabben. Wendt u van de mensen af. Daar is geen eer meer aan te behalen. De reuzenkrabben, ik hoop dat ze vlug komen.