Red de blauwe baret

Nederland doet te weinig aan de nazorg van oud-soldaten, schreef psycholoog en historicus Eelco Runia twee weken geleden. Mogelijk, betoogde hij, had kunnen worden voorkomen dat twee ex-militairen aan het moorden sloegen. Runia heeft gelijk, schrijft een oud-soldaat. `Ik was een adrenalinejunk geworden.'

Met afschuw en stijgende angst heb ik het artikel De haat van de vredessoldaat (Z, 13 maart) gelezen. Afschuw over zulke verschrikkelijke misdaden en angst omdat me tijdens het lezen het gevoel bekroop dat ik die ook had kunnen begaan. Ik werd van november '92 tot mei '93 uitgezonden naar voormalig Joegoslavië, centraal Bosnië. Ik was twintig jaar, dienstplichtig en had me vrijwillig aangemeld bij het 1ste Nederlands/Belgische Transportbataljon uit menslievende overwegingen en een gevoel van `dit is mijn kans'.

Onze missie was `humanitaire hulp verlenen'. We brachten hulpgoederen naar steden en dorpen aan het front, vaak in de omgeving van Tuzla, en verhuisden vluchtelingen uit door Servische troepen veroverde gebieden naar opvangplekken elders. Ze zeiden dat we peacekeepers waren, dat stond ook op het zakmes en de plastic drinkbeker die we meekregen. Maar we zagen de mens in zijn laagste vorm tekeergaan. We waren getuige van etnische zuiveringen, brute moorden en leed van onschuldige burgers en we verloren eigen mensen.

Ik belandde in situaties waarin we als militair machteloos stonden. Waarin we beslissingen moesten nemen die tegen al ons gevoel ingingen. Doorrijden als er kinderen op de weg staan of stoppen en jezelf en je collega's in gevaar brengen? Stoppen om vluchtelingen die met min 30 graden door de bergen lopen mee te nemen of juist doorrijden omdat bij een volgend roadblock de problemen niet te overzien zijn? Eten uitladen om het geheel of gedeeltelijk te laten inpikken door de plaatselijke militie of alles mee terugnemen met het risico dat je een heel dorp laat creperen? Terugschieten als er op je geschoten wordt of je helm opzetten, de bunker induiken en het voorval rapporteren? Want straks ben jij degene die zich moet verantwoorden voor een rechtbank.

Een van de pijnlijkste momenten die ik heb meegemaakt was toen we een overleden kameraad naar Sarajevo begeleidden en door Servische troepen werden tegengehouden. Ze wilden dat we de kist openmaakten, ze moesten erin kijken. Met veel praten kon de commandant van het konvooi dit voorkomen, maar ik heb me nog nooit zo vernederd gevoeld. Onze geweldsinstructie was uiterst terughoudend, we mochten pas schieten wanneer we zelf al drie keer dood hadden kunnen zijn.

Oorlog betekent vooral: wachten, veel wachten. Je weet niet waarop en je weet niet wanneer. Je weet alleen dat het van het ene op het andere moment heel erg spannend kan worden. En dat op zichzelf is bijna onverdraaglijk spannend. Dat wachten, de stress, de verhoogde waakzaamheid en het gevoel van machteloos toe moeten kijken raak je niet meer kwijt. Een aantal geestelijk verzorgers vergezelde ons. De teneur was `als er iets is, moet je het zeggen', maar het draaide in feite om ieders eigen verantwoordelijkheidsgevoel. Je hield je kameraden in de gaten en als je het niet vertrouwde, dan attendeerde je een meerdere daarop. Zo is een aantal jongens die `aan het doordraaien waren', voortijdig naar huis gestuurd.

Er was nauwelijks tijd voor bezinning. Werkdagen van zestien tot twintig uur waren eerder regel dan uitzondering. Op de laatste dag kregen we met ons peloton een debriefingsgesprek van omstreeks een uur. Maar toen zat iedereen al met zijn hoofd in Nederland. Bovendien: welke soldaat zegt te midden van 25 collega's dat hem iets mankeert? En eenmaal terug in Nederland staan mensen van wie je veel houdt opeens mijlenver van je vandaan.

Tijdens onze missie moest de knop zo vaak `om' dat hij bij velen gewoon `om' bleef staan. Ook na terugkomst. Maar die gevoelsarme levenshouding houdt hier geen stand. En het paradoxale is dat het geen kwestie is van niet voelen, nee, ik denk eerder dat het een kwestie is van extreem veel voelen. Maar in een klimaat van `doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg' is er voor zulke heftige gevoelens geen plaats. Met als gevolg dat het brein een snelkookpan van opgekropte emoties en verminkte gedachtes wordt.

Zelf had ik het gevoel dat ik uit een TGV was gestapt, maar nog steeds driehonderd kilometer per uur ging tussen allemaal stilstaande en wandelende mensen. Ik was een adrenalinejunk geworden. Ik reed 's nachts zonder licht op de snelweg, ging racen op dijkweggetjes en drukte sigaretten uit op mijn arm om iets van de kick uit Bosnië te kunnen voelen, om het toen en nu gevoelsmatig in balans te brengen en om ongrijpbare pijn om te zetten in lichamelijke pijn.

Ik heb eerst nog een paar jaar thuis gewoond. En zodra ik dan om drie uur 's nachts alleen in de woonkamer zat, fantaseerde ik dat ik een mes uit de keuken pakte, naar boven liep en mijn ouders en broertje ombracht. Het was nooit een reële optie, ik hou van mijn familie, maar het spelen met de gedachte gaf mij een kick. Er was niemand die mij tegen had kunnen houden, behalve ikzelf. Die wetenschap joeg mij soms angst aan. Wat als ik een keer niet sterk genoeg zou zijn?

Mensen in mijn omgeving vonden het moeilijk om te begrijpen wat ik had meegemaakt, ondanks hun liefdevolle welwillendheid. Destijds werd ik daar heel erg kwaad om, nu weet ik dat ik niet van `gewone mensen' mag verwachten dat ze mij begrijpen: welke buitenstaander kan nou bevatten wat er in mij omging? Door andere mensen ben ik uitgemaakt voor oorlogsmisdadiger en veel geld verdienende vakantieganger.

Haat, angst en onmacht waren emoties waar ik me na terugkomst door liet leiden. Ik ging veel drugs gebruiken en ben in '95 naar Australië `gevlucht'. Een jaar later kwam ik terug in Nederland om op mezelf te gaan wonen. Ik raakte in een sociaal isolement. Meer en meer speelde ik met de gedachte om gewapend een druk postkantoor of een supermarkt op zaterdagmorgen binnen te lopen en dan in het wilde weg om me heen te schieten of naar Den Haag af te reizen en bij het Binnenhof een politicus op te wachten. Die gingen toch gewoon op de fiets naar hun werk. Ik haatte de wereld, was wanhopig. Op deze manier zou ik én wraak kunnen nemen op de samenleving die me in de steek had gelaten, én ik zou duidelijk hebben kunnen maken aan de samenleving hoe ik me voelde én ik zou verzekerd zijn van mijn toekomst die ik toen als uitzichtloos beschouwde.

Gelukkig is het niet zover gekomen. Een dorpsgenoot die bij Dutchbat 3 in Srebrenica had gediend bracht me in contact met een mevrouw van de Bond voor Nederlandse Militaire Oorlogsslachtoffers, de BNMO. Het gesprek opende een beerput, later begreep ik dat ik te maken had met een posttraumatisch stresssyndroom (PTSS). Ik heb haar teruggebeld en belandde via haar in het Militair Hospitaal. Daar heb ik met goede resultaten anderhalf jaar psychiatrische deeltijdbehandeling gevolgd.

Wij werden naar Bosnië gestuurd met het idee dat onze blauwe baret ons zou beschermen. Wij waren onpartijdig, maar dit wil nog niet zeggen dat we geen partij waren. In de film No Man's Land worden VN-soldaten Smurfen genoemd. Een treffender beeld had de maker niet kunnen bedenken om de machteloosheid en de lulligheid waar wij aan blootstonden te formuleren.

De schijnbaar ongemotiveerde moorden waarover Runia schrijft zijn volgens mij voor een groot deel te verklaren uit de machteloosheid waarmee we als peacekeepers werden geconfronteerd. Het zijn extreme reacties in normale situaties die voortkomen uit de normale reactie op een extreme situatie die PTSS is. Wanneer ik het kleinste onrecht zie, is één van mijn eerste gedachtes: jij moet dood. Het is `maar een gedachte', maar veelzeggend voor het gebrek aan nuance in het denken dat een uitzending met zich mee kan brengen, door het totale gebrek aan nuance in een oorlogsgebied. In zo'n oorlog is de wereld heel klein en de zekerheden zijn op de vingers van één hand te tellen. Het leven en denken zijn er zwart-wit.

Veteraan zijn heeft geen status in onze samenleving. Je hebt gewoon je werk gedaan. In Australië viel me op dat veteranen een speciale plaats in het dagelijks leven hebben afgedwongen. Afgezien van een nationale herdenkingsdag hebben ze als vanzelfsprekend een zitplaats in de bus. Ik zag stickers: gereserveerd voor invaliden én veteranen. De veteranen worden erkend, ze hebben goed werk gedaan, en het land is ze dankbaar. Vanaf volgend jaar kent Nederland ook een landelijke veteranendag. Eindelijk, zeg ik dan.

Dat slechts twintig procent van de veteranen bekend is bij het Veteraneninstituut stemt mij treurig. Maak eenieder die uitgezonden is geweest automatisch lid van de club. Jij bent nu veteraan, alsjeblieft hier is je kaart en wij zullen er voor je zijn. Wat veteranen er vervolgens mee doen is natuurlijk aan hen, maar ze zijn dan in ieder geval bekend bij een organisatie die om ze geeft. Ik ga nooit naar de ontmoetingsdagen en doe nooit mee aan de uitjes, maar ik heb regelmatig gebruik gemaakt van hun ervaring als het weer eens slecht met me gaat. De haat en de angst weet ik meestal binnen de perken te houden, maar ik ben voor mijn gevoel nooit ver verwijderd van de rand van de afgrond. Ze staan me bij met psychische hulp vanuit de organisatie zelf en hebben contact voor me gelegd met andere hulpverleners.

Hoe geweldsuitbarstingen of andere excessen van teruggekeerde peace-keepers voorkomen kunnen worden weet ik niet. Kameraden die daar de nuchterheid zelf waren pleegden jaren later zelfmoord en ik heb lieve goedzakken zien veranderen in gewelddadige monsters. Gerichter psychologisch testen voor uitzending is een optie, maar over het algemeen kun je denk ik echt niet voorspellen wie er `doordraait' en wie niet. Nazorg blijft verreweg het belangrijkste en moet een stuk minder vrijblijvend zijn. Laat de debriefing een paar jaar doorlopen, waarbij Defensie en het Veteraneninstituut intensief samenwerken. De ergste klap kan pas na jaren en jaren komen. En betrek partners en familie erbij. Zij zijn vaak de eersten die de klappen op moeten vangen of zien dat het slecht met iemand gaat.

Veertigduizend jonge veteranen – ook al zijn sommigen het tegen wil en dank – dan kan het maar beter meteen na terugkomst goed geregeld zijn. Want dan begint voor sommigen van ons pas het echte gevecht.

Ik fantaseerde dat ik een mes uit de keuken pakte en mijn ouders en broertje ombracht

Wilt u reageren? Stuur uw reactie naar zbrieven@nrc.nl of schrijf het Zaterdags Bijvoegsel, Postbus 8987, 3009 TH Rotterdam