Laat de doden spreken

U kent ze wel: de proefschriften en artikelen die met een breinaald op schuurpapier geschreven lijken te zijn, in plaats van met een vulpen op geschept papier. Het proza knarst en wringt en nergens krijg je de indruk dat de stof met jezelf te maken heeft.

Nu is dat in de natuurwetenschappen ook niet zo makkelijk. Maar in de geesteswetenschappen moet het toch mogelijk zijn om het menselijke belang in een onderzoek te laten prevaleren. Zeker als het om de historie gaat, dan moet elk onderzoek uitgaan van een appèl op het gemoed. De lezer moet het gevoel krijgen dat de beschreven zaken op hemzelf, op zijn familie, op zijn eigen denkwereld of zijn eigen maatschappelijk standpunt te betrekken zijn. Hij moet dus niet alleen intellectueel, maar ook in het gevoel geraakt worden. Er moet een effect van meewarigheid met het verleden ontstaan.

Maar al te vaak vergeet de schrijver dat elke beschrijving van het verleden een beschrijving van levende mensen met hun alledaagse zorgen en zwakten is. Ook wanneer de wetenschapper historische structuren beschrijft, ideeën of begrippen onderzoekt, debatten analyseert of discoursen volgt, dan nog moet de onderzoeker zich realiseren dat hij met ideeën van mensen te maken heeft. We hoeven niet zo ver te gaan als Emile Zola die elk idee dat in een mensenhoofd opkwam in verband bracht met een stremming van de spijsvertering, maar het is wel zinvol zich te realiseren dat ook Schopenhauer en Kant mensen waren, die misschien syfilis of schurft hadden, en vrijwel zeker rottende tanden en aambeien, en absoluut zeker slecht licht en een rokende kachel.

Of dit te maken heeft met hun uiteindelijke filosofieën? Jazeker. Op het gevaar af toch in het gemakkelijk wetmatige van het positivisme terecht te komen, durf ik te beweren dat de omstandigheden waaronder Kant zijn filosofieën schreef van belang zijn voor de uiteindelijke vorm ervan. Het is juist de taak van de wetenschapper dit te onderzoeken. Bovendien: het is zoveel aangrijpender als de lezer weet hoe denkbeelden tot stand zijn gekomen.

Ik kwam enige tijd geleden in gesprek met iemand die onderzoek doet naar de blauwdrukken voor een nieuwe ideale samenleving ná de oorlog die er tijdens de Tweede Wereldoorlog geschreven zijn. De promovendus had er tot dan toe niet bij stilgestaan dat deze stukken in het geheim geschreven moesten worden, achter verduisterde ramen, bij carbid- of kaarslicht, en dat de ontdekking ervan vrijwel zeker tot gevangenneming, wellicht tot executie geleid zouden hebben.

Het gemiddelde proefschrift van tegenwoordig vermijdt juist het al te persoonlijke. De promotor schrapt onverbiddelijk alle emotie en alle ik-vormen uit de dissertatie, en weidt dan uit over de impressionistische studies die uit de tijd van vóór de grote methodologenstrijd stammen. Toen was alles mogelijk, tot de jaren zeventig van de vorige eeuw. Bij de Neerlandistiek werden slappe biografieën geschreven; er verschenen studies over buitenlandse invloeden op Nederlandse schrijvers waarbij Heine nog vóór hij een letter gepubliceerd had al Nederlandse schrijvers geïnfecteerd zou hebben en er kwamen psychologische gemoedsstudies zonder enige bewijsvoering uit. Maar tegenwoordig lijkt er een keurslijf ontworpen te zijn voor dissertaties dat strakker is dan welk negentiende-eeuws korset en dat nodig met veel bombarie door nieuwe suffragettes afgeworpen moet worden. Het stramien van elke studie is tegenwoordig: inleiding met hoofd- en deelvragen, een hoofdstuk met stand van zaken in het onderzoek, een hoofdstuk met een historisch overzicht, dan een uitwerking van de hoofd- en deelvragen en tenslotte de conclusies. De een heeft hiervoor 200 pagina's nodig, de ander 800, maar de opzet is vaak identiek.

Is het daarom verwonderlijk dat de meeste proefschriften slechts door de commissie en enkele specialisten gelezen worden en dat het met de publiciteit rond een promotie slecht gesteld is in Nederland? Is een vaste academische opbouw van een proefschrift niet dodelijk voor het gebruik ervan? Zou een proefschrift niet zonder noten en bijlagen geschreven kunnen worden? Is het onderscheid tussen academische publicaties en schrijfsels voor een breed publiek ergens op gebaseerd? Zouden literaire middelen niet geoorloofd zijn in een proefschrift? Sterker nog: zouden een literaire stijl en fictionele technieken geen pluspunten zijn voor wetenschappelijke publicaties?

Objectiviteit is geen hoofddoel meer voor de uitwerking van een historisch of geesteswetenschappelijk onderwerp. Systematisering en bewijsvoering blijven tot de vaste voorschriften horen, maar een subjectieve en aanvechtbare visie is interessanter dan een objectieve stellingname, die toch altijd elementen van subjectiviteit in zich draagt. De vraag is dan natuurlijk hoe we toch kunnen voldoen aan de eisen van het wetenschappelijke forum als we de objectiviteitregel overboord zetten. Wetenschap is de kunst om te combineren, de ars combinatoria: op een nieuwe, inventieve en overtuigende manier feiten combineren. Daarvoor moet de wetenschapper tegendraadse stellingen in durven nemen.

In de eerste plaats dient hij zelf aanwezig te zijn in zijn boek. Het was lang een doodzonde om de ik-vorm te gebruiken in een wetenschappelijke publicatie. Alles werd in de lijdende vorm geschreven door de wetenschapper, of men gebruikte de men-vorm (u ziet dat ik formeel tegelijk demonstreer wat ik bedoel). Wanneer ik mijn eigen denkbeelden presenteer schrijf ik in de ik-vorm, juist om te laten zien dat het om subjectieve interpretaties gaat.

In de tweede plaats: literaire technieken zijn geoorloofd in wetenschappelijke publicaties, mits ze de feiten niet vertroebelen. Ik geef een voorbeeld. Piet de Rooy hield dit jaar de diesrede van de Universiteit van Amsterdam. In een grote greep bracht hij Johan van der Cappellen tot den Poll, Multatuli en Pim Fortuyn bij elkaar, onder de titel `Het gelijk der eenzamen'. In feitelijkheden is er geen samenhang tussen de 18de-, 19de- en 20ste-eeuwse eenzamen, maar De Rooy liet de overeenkomst tussen deze Don Quichotten van het gelijk zien in een staaltje van pure ars combinatoria.

In de praktijk betekent dit, dat retoriek, discoursen, fictieve dialogen en fictieve interviews, ateliers, aanspraken, uitweidingen, verhaalvormen, citaten ter kleuring en wat er verder mogelijk is aan literaire technieken, toegestaan is in de wetenschap.

In de derde plaats: om de impact van een studie te verhogen is het nodig gebruik te maken van wat ik de `meewarigheidstechniek' noem. Een tekst moet appelleren aan het gevoel of het gemoed. Nieuwsgierigheid, meeleven, spanning, afkeer en bewondering moeten in werking gezet worden om een tekst te laten spreken. Dit kan alleen door het collectieve op individuen terug te brengen. Eén joodse moeder in het concentratiekamp die afscheid moet nemen van haar tienjarig zoontje omdat dit naar de mannenafdeling gebracht wordt, is aangrijpender dan 10.000 doden. Het kindje dat in de nacht van de watersnoodramp geboren werd om te sterven en nog niet eens aangegeven kon worden bij de burgerlijke stand en dat tien jaar later pas ontdekt werd als het 1836ste slachtoffer, maakt de tranen los voor alle 1835 andere.

De historieschrijver heeft de plicht, ja de verantwoordelijkheid om meewarigheid op te wekken. Een onderzoek van het verleden is een gesprek met het verleden. Laat de doden dan ook spreken: geef ze een eigen stem.

P.S. De muizen in mijn huis hebben de postbode aan de rand van overspanning gebracht, maar het ongedierte zelf heeft alle goede adviezen die ik ontving tot nu toe overleefd. Emeritushoogleraar B. uit R. bracht bij een promotie in een tas van de elitaire boekhandel A. uit A. een kiloverpakking landbouwgif mee, alleen verkrijgbaar voor boeren. Een week lang was er rust, maar inmiddels is een sterker, slimmer en valser geslacht teruggekeerd.