Komrij: grote schoonmaak kan geen kwaad

Gerrit Komrij wordt zestig en in Den Haag en Leiden openen exposities over hem en zijn werk. ,,Ik lig hier als een hoer tentoon'', dichtte hij bij de opening in het Letterkundig Museum.

Wie is Gerrit Komrij? Volgens journalist Onno Blom, die een expositie over hem inrichtte en een Schrijversprentenboek over hem schreef, hebben heel wat geleerden beweerd dat Komrij eigenlijk iemand anders is. Kort nadat hij in 1968 debuteerde als dichter werd hij een `nieuwe Piet Paaltjens' genoemd. In latere jaren werd hij geïdentificeerd met Lodewijk van Deyssel en Mohamed Rasoel. Maar wie is Gerrit Komrij nu echt? ,,Komrij bestaat, al bijna zestig jaar'', was Bloms eenvoudige antwoord, gistermiddag bij de opening van de Komrij-expositie in het Letterkundig Museum. Elementen van dat productieve bestaan, van manuscripten en foto's tot de paarse kamerjas die hij jarenlang droeg tijdens het schrijven, zijn nu te bewonderen in de vitrines van het museum.

Komrij, vergezeld van zijn vriend Charles Hofman, bekeek alles met lichte spot. ,,Ik lig hier als een hoer tentoon'', zo begon het gedicht Invitatie dat hij voorlas. ,,Ik ben er echt. En toch ben ik er niet,/ Zoals je wollen trui het schaap niet is.''

Het bijeenbrengen van het materiaal voor de tentoonstelling was geen onverdeeld genoegen. Op de zolder van zijn huis in Portugal werden tientallen plastic zakken omgekeerd. Onno Blom begon te spitten en Komrij zat erbij, volgens zijn eigen zeggen kijkend naar zijn verleden ,,met een mengeling van walging en vertedering. Soms kneep ik mijn ogen dicht als ik mij zelf in een precaire positie tegenkwam.''

Een van de bijzonderste documenten op de tentoonstelling: het titelblad en de laatste bladzijde van De lange oren van Midas. Deze roman in experimentele stijl schreef Komrij in 1965, toen hij op Kreta woonde en niet zo gelukkig was. Alleen de eerste en de laatste bladzijde mocht Blom meenemen; de rest van het typoscript heeft Komrij meteen in het haardvuur gegooid. Enkele typerend voorwerpen op de tentoonstelling zijn de agenda uit 1957 waarin de jonge Komrij een lijst met scheldnamen noteerde, en de kaartenbak waarin de achtjarige zijn boekenbestand begon de archiveren.

Ook in Leiden is er een Komrij-tentoonstelling, van al het materiaal dat niet in de vitrines van het Letterkundig Museum past. Op dinsdag 30 maart zal de jarige Komrij, in aanwezigheid van genodigden, een `verkooptentoonstelling' openen in antiquariaat Aioloz. In de catalogus die bij de verkooptentoonstelling verschijnt, vertelt Komrij dat hij er tegenop zag om de manuscripten en documenten na afloop van alle festiviteiten weer terug naar Portugal te halen. ,,In het algemeen kan een grote schoonmaak geen kwaad.'' Dus besloot hij om alles te verkopen. ,,Wat weggesneden is kan weggesneden blijven. Je kunt de sensatie van het weerzien met je verleden maar één keer beleven.'' Dat hij er flink wat geld voor zal krijgen noemt Komrij ,,een lagere overweging''. Van de opbrengst kan hij zelf weer mooie boeken kopen voor zijn bibliotheek, die ongeveer 40.000 boeken telt. ,,Ik verkoop een keertje en ga weer kopen. Zo wentelen de dingen eeuwig rond.''

Het bijzondere van de collectie manuscripten is, volgens antiquair Piet van Winden, dat het louter originelen zijn. Van bijvoorbeeld Reve komen vaak alleen afschriften van gedichten in de handel. Bovendien zijn van een flink deel van Komrij's gedichten verschillende versies bewaard gebleven, waardoor het werkproces van de dichter nauwgezet gevolgd kan worden. Het belangrijkste item dat Aioloz zal aanbieden is een doos met een paar honderd gedichten van voor 1968. Uit deze voor een groot deel ongepubliceerde gedichten maakte Komrij een selectie voor zijn eerste bundel, Maagdenburgse halve bollen en andere gedichten. De Koninklijke Bibliotheek en het Letterkundig Museum zouden belangstelling hebben.

Een ander topstuk is Dekonstruktie in vier delen, Komrij's officieuze debuut uit 1963. Het is een los vouwvel met vier gedichten, dat de dichter vlak voor zijn vertrek naar Amsterdam bij drukkerij Holders in zijn geboorteplaats Winterswijk liet vervaardigen. Er zijn slechts een paar exemplaren bekend van het drukwerkje, dat 3.000 euro moet opbrengen. Verder worden onder meer twee complete bundels in manuscript aangeboden, De os op de klokketoren (1981) en Gesloten circuit (1982), en brieven en briefkaarten die Boudewijn Büch aan Komrij stuurde tussen 1975 en 1982. De vriendschap tussen de twee bibliofielen liep stuk toen Büch een aantal boeken met persoonlijke opdracht, cadeautjes van Komrij, via antiquariaat De Slegte had verkocht. Büch, die ook zijn eigen manuscripten te koop aanbood, beweerde dat geld er niets mee te maken had. Komrij destijds: ,,Ach, Boudewijntje is, zoals iedereen die zijn werk een beetje kent, aan zijn eerste leugen gebarsten.''

Het fabeldier dat Komrij heet. Tot 19/9 in Letterkundig Museum, Prins Willem-Alexanderhof 5, Den Haag. Di-vr 10-17, za-zo 12-17. Verkoopexpositie Komrij 31/3- 21/4 antiquariaat Aioloz, Botermarkt 8, Leiden. Wo-vr 12-17, za 10-17.