Europeanen moeten zich niet krampachtig spiegelen aan Amerika om te weten wie zij zijn

In de houding van Europeanen tegenover Amerika wisselen hevige liefde en even hevige afkeer elkaar af, vaak zelfs in één persoon. Volgens George Bush ben je tegen de VS als je niet vóór bent. Maar de Europeaan hoeft zich niet te laten opsluiten in dit schema. Er is een uitweg, en die begint met een andere kijk op het eigen continent. Met het Amerikaanse patriottisme als voorbeeld.

The Great Fear is een boek van de Amerikaanse politicoloog David Caute dat ik in het begin van de jaren '80 in de ramsj moet hebben gekocht. Bij de verplaatsing van mijn boekenkasten kwam het vanonder het stof tevoorschijn. De titel bleek na zoveel jaar alsnog ergerniswekkend. Voor een verslag van The Anti-Communist Purge Under Truman and Eisenhower, zoals de ondertitel toelicht, klinkt hij hoogdravend op het tergende af. Dergelijke termen reserveren wij voor de klop op de deur onder een sovjet- of nazi-bewind. Vergeleken daarbij was het onder senator Joe McCarthy maar klein bier.

Ik kon me niet herinneren eerder zo geïrriteerd te zijn geweest door wat me nu als typisch voor Amerikaanse brallerigheid trof. In alles, zelfs in het kwaad, is het land bij voorbaat the biggest en the greatest, op een wijze die al het andere gedachteloos naar de zijkant schuift. Maar bij dat ongenoegen bleef het niet. Ook mijn eigen ergernis beviel me maar matig. Er moet de afgelopen jaren iets veranderd zijn in mijn waarneming van de Verenigde Staten, en misschien nog wel meer in mijn gevoelens daaromtrent. De ergernis over Caute's grootspraak vormde een minieme weerspiegeling van mijn onwil de hebbelijkheden van het land nog langer met de mantel der liefde te bedekken.

Dat is niet altijd zo geweest. Een afkeer van Amerika heb ik nooit gehad. Verzengende liefde ervoor evenmin, maar het anti-Amerikanisme dat in mijn school- en studententijd het verzet tegen de Vietnampolitiek begeleidde, leek me weinig gerechtvaardigd. Juist toen toonde een groot deel van de Amerikaanse natie zich verstandiger en gevoeliger dan veel van haar bestuurders, en dat gaf, ondanks alles, vertrouwen. Toen tien jaar later in Nederland kruisraketten zouden worden geplaatst, was dat vertrouwen misschien wat afgenomen, maar het besluit leek me nog altijd een stuk minder naïef dan de kritiek daarop.

Gaandeweg moet het dan toch zijn misgegaan. Het economisch bestel dat de Verenigde Staten de wereld trachten op te leggen, werd mij in de daaropvolgende jaren een even grote bron van ergernis als de cultuur van politieke correctheid waarin mijn ooit zo kritische studiegenoten zich plotseling verrassend volgzaam toonden.

Nog verbijsterender was het te zien hoe Europa zich op de Balkan door de VS liet overvleugelen en zichzelf aanpraatte dat uitsluitend aan haar eigen lamlendigheid te danken te hebben gehad. Maar het land van Clinton werd het land van Bush en inmiddels is het, na Irak,

Seattle en drie jaar geharnast unilateralisme, op het Oude Continent weer helemaal uit de gratie.

De Verenigde Staten nodigen kennelijk uit tot extremen van haat of liefde. Dat hoort bij het imago waar deze natie van uitersten zelf prat op gaat, maar dat wettigt aan Europese zijde nog geen emotionele waggelgang tussen afkeer en verering. Onder het verre dwaallicht van de Democratische voorverkiezingen lijkt de genegenheid weer wat op te bloeien, paradoxaal genoeg misschien mede dankzij de verre echo van Vietnam in de campagne van John Kerry, waarin vooruitstrevenden aan beide zijden van de oceaan elkaar menen te herkennen.

,,Het ziet er nu beter uit dan we nog maar twee maanden geleden durfden dromen'', schreef H.J.A. Hofland onlangs in De Groene Amsterdammer, maar naast mijn half afgebroken boekenkast strijdt de hoop in mij met de scepsis. Niet alleen omdat de Republikeinse verkiezingscampagne nog nauwelijks begonnen is en een Democratische triomf nog ver weg is. Maar vooral omdat een eventuele overwinning van die laatste de VS niet plotseling tot een Europees speelkameraadje maken. De omgangsvormen mogen anders zijn, de politiek is dat maar in beperkte mate. Ook Clinton bombardeerde eigenmachtig wat hem uitkwam en Vietnam escaleerde lange tijd onder een Democratisch bewind.

Het keurslijf van de Koude Oorlog heeft lange tijd aan het zicht onttrokken hoe verschillend de Amerikaanse en Europese werelden zijn. Nu het bondgenootschap niet langer onontkoombaar is maar een keuze is geworden, krijgen binnen het Atlantisch blok ook de discrepanties hun kans. En de afgelopen jaren heeft Europa moeten vaststellen dat de huidige president het hart van de Amerikaanse bevolking dieper heeft kunnen raken dan zij zelf voor mogelijk achtte en zelfs bereid was serieus te nemen. Ook al herkennen niet alle Amerikanen zich in het morele conservatisme, het geloof in geweld en vrij ondernemerschap, en in de rotsvaste overtuiging van het eigen gelijk, de cultuur van het land wordt daardoor wel degelijk getekend. Wisselende presidenten zullen daaraan maar weinig veranderen. Europa kan zich dus maar beter voorbereiden op een toekomst onder het teken van wat onder Bush onverhuld naar voren is gekomen, of deze nu in het Witte Huis zetelt of niet.

Dat is aan deze zijde van de oceaan een somber vooruitzicht en staat garant voor een langdurige antipathie. Last van Amerika zal Europa nog lange tijd houden, en die hinder schuilt niet eens allereerst in de objectieve Amerikaanse tendens tot unilateralisme, hegemonie en de neiging de wereld militair, mercantiel en moreel de wet voor te schrijven. Last heeft Europa vooral van zijn eigen obsessie met een tegelijk benijde en verafschuwde grote mogendheid, wier hypocrisie het misschien nog wel het meeste dwarszit. Want wát de VS ook doen, ze blijven ervan overtuigd het zout der aarde te zijn en hebben het altijd buitengewoon goed met zichzelf getroffen. Daarbij blijkt het land steeds weer immuun voor Europa's allerlaatste troefkaart: de morele verontwaardiging.

Zoiets leidt gemakkelijk tot wrok. Daaraan heeft het de laatste jaren in Europa niet ontbroken, al vertoonde die zich met twee radicaal tegengestelde gezichten.

Het eerste ziet er, bij oppervlakkige beschouwing, allesbehalve wrokkig uit. Het vertoont zich als een collectief Stockholm-syndroom, dat de benijde grootmacht van de weeromstuit noopt tot een gewetensonderzoek. Geen verstandig mens stelt bij zichzelf graag een hang naar eenzijdigheid en dus naar verblinding vast, hoe gerechtvaardigd de motieven daarvoor ook mogen lijken.

Het verstand diende zich in mijn ergernis over Caute's titel bijna vanzelf aan. Want hoezeer hij zichzelf ook lijkt te overschreeuwen, een natie wier `grote angst' nooit die voor de nachtelijke klop op de deur heeft hoeven zijn, mag zich ongetwijfeld gezegend weten. Onrecht en wetsverkrachting werden in de jaren van McCarthy een onderdeel van het juridische systeem, maar niemand is daardoor spoorloos verdwenen. Van Nacht und Nebel is in de VS nimmer sprake geweest, noch van iets dat ook maar in de buurt kwam.

Wanneer academici, kunstenaars en filmers op dit moment het spook van het McCarthyisme weer zien opdoemen, dan is dat als een pervertering van het Amerikaanse systeem, niet als een bewijs van de kwaadaardige natuur daarvan. Wat er voor hen op het spel staat is, integendeel, de vraag wie de legitieme erfgenaam van deze politieke traditie is. Michael Moore maakte dat met kenmerkende bondigheid duidelijk in de titel van zijn boek Dude, where's my country? Het ware Amerika is niet dat van de zelfbenoemde patriotten die geen kwaad woord willen horen over hun land en over zichzelf. Het is dat van het vrije woord, ook al komt dat soms ongelegen.

Ongetwijfeld heeft de regering-Bush getracht de Amerikaanse publieke opinie naar haar hand te zetten door tegenstemmen verdacht te maken of tot zwijgen te brengen. Het monopolisme dat ze in het openbare debat nastreefde is de spiegel van het unilateralisme waarmee ze haar buitenlandse politiek heeft gevoerd. Na een door de omstandigheden geholpen vliegende start is ze daarin echter maar in beperkte mate geslaagd. Dat zij een dergelijke poging heeft kunnen wagen, vloeit voort uit het hachelijke statuut van de democratie zelf, die haar eigen onschendbaarheid feitelijk nooit kan garanderen. Zij kan zich laten begoochelen door de totalitaire verleiding en afglijden naar een eenheidsstaat. Maar ze heeft dat in de geschiedenis slechts een enkele keer gedaan en dan nog onder zeer extreme omstandigheden.

Zelfs de somberste critici van de Verenigde Staten hebben die vergelijking niet willen maken, hoe eenzijdig en totaal de publieke meningsvorming ook leek te zijn gemobiliseerd. Ironisch genoeg heeft die opinie-oorlog buiten de landsgrenzen nog het meeste succes gehad. Een tijd lang leek Amerika inderdaad als één man achter zijn president verenigd te zijn. Hoe bemoedigend dat voor het land zelf ook geweest mag zijn, in Europa had dat een omgekeerd effect. Een belangrijk deel van de publieke opinie zag zijn groeiend anti-Amerikaanse wantrouwen door dit vertoon van schijnbare eenheid eens te meer gerechtvaardigd.

De afbrokkeling van het buitenlandse unilateralisme heeft ook de veelstemmigheid van de Amerikaanse opinie opnieuw zichtbaar gemaakt. Vrijwel in dezelfde week van mijn boekverhuizing hoorde ik een bezoekende Amerikaanse hoogleraar zijn verbijstering uiten over de Nederlandse volgzaamheid rond de Iraakse oorlog. Hij prees de zich daartegen verzettende landen in termen die een directe echo leken van Woody Allens gevleugelde woorden: Thank God the French exist. Het was, wat mij betreft, een eerste glimp van licht dat doorbrak vanachter een snel verder barstend pantser.

Een voorbode daarvan was, enkele jaren eerder, al het boek Achieving our Country (De voltooiïng van Amerika) van de filosoof Richard Rorty. Terugkijkend op zijn jeugd als kind van reformistisch-linkse ouders, herinnerde hij eraan dat de politieke erfenis van de VS niet uitsluitend bestaat uit het kapitaalliberalisme dat Bush én McCarthy - daarin wél verenigd - voor de enig legitieme all-american activity laten doorgaan.

De traditie van sociale bekommernis, vakbondssolidariteit, gewaarborgd streven naar geluk en gerechtigheid voor allen maakt even legitiem deel uit van de Amerikaanse geest als van de Europese. Dat de laatste daarbij iets meer geleide wegen bewandelt dan de eerste, is een nuanceverschil tegen de achtergrond van een gemeenschappelijke afkomst. Ze begint aan het einde van de achttiende eeuw in de grote `Atlantische revoluties': de Amerikaanse, de Franse en volgens Simon Schama zelfs het prototype van alle, de `fluwelen' van eigen Nederlandse bodem.

Rorty's oproep om in Amerika's traditie een linkse inspiratie te onderkennen als een authentiek eigen kenmerk, is even onbetwistbaar als bevrijdend. Net zo ongemakkelijk zijn echter de schaduwzijden van zijn boek. Het ademt een patriottische geest die Europeanen niet gemakkelijk valt. Hoe opgelucht zij ook mogen ademhalen na deze betuiging van Europees-Amerikaanse zielsverwantschap, onmiddellijk daarna blijkt die vertrouwdheid hun onoverbrugbaar vreemd te moeten voorkomen.

Van de Amerikaanse last zullen wij Europeanen, zelfs in de beste verstandhouding, niet snel en waarschijnlijk nooit worden verlost. Zelfs onder een ander bewind dan het huidige zal het land onwrikbaar in zichzelf blijven geloven en in het buitenlands beleid blijven doen wat nu eenmaal elk land met een mondiale oppermacht doet: deze gebruiken, openlijk, dan wel verstolen onder diplomatieke strijkages. De Amerikaanse hegemonie staat voorlopig niet op het punt van verdwijnen en de Europese wrok zal dan ook niet door een veranderende houding van de VS worden weggenomen.

Dat betekent niet dat de radeloze Europeaan moet zwichten voor het alternatief tussen een verbeten anti- en een al even verblind pro-amerikanisme dat George Bush hem heeft voorgehouden. Wil hij zich niet

laten vangen in de netten van dit opgedrongen extremisme, dan zal hij opnieuw moeten leren zijn waarde uit zichzelf te putten. Ironisch genoeg zal hij daarbij - al dan niet met tegenzin - het Amerikaanse patriottisme als voorbeeld moeten nemen.

De beide uitersten in de houding tegenover de Verenigde Staten kenmerken zich door een even grote afwezigheid van Europees zelfbewustzijn. Terwijl het ene kamp dat willens en wetens opgeeft voor zijn geloof in de Amerikaanse suprematie, laat het andere het verdampen in een wantrouwen dat uitmondt in razernij. Beide zijn elkaars spiegelbeeld, omdat ze hun wil even slaafs - maar met omgekeerd voorteken - laten afhangen van de bewonderde dan wel gehate derde. Het anti-Amerikanisme komt door loutere afwijzing nooit meer bij zichzelf terug; de pro's loochenen uit even pure bewondering precies de waarde van de eigen trots die voor diegenen die ze bewonderen cruciaal is.

Bij een dergelijke pathologie is het niet verwonderlijk dat het Europese zelfbewustzijn een kwijnend en gekweld bestaan leidt. Het lot van de euro, één van de grote zegeningen van de eenwording van het continent, weerspiegelt dat onbehagen en het Europese onvermogen in zichzelf te geloven. Vernederend was de lage koers van de euromunt zolang hij duurde; niet minder rampzalig heet de stijging ervan te zijn, sinds díé aanbrak.

Het is voor Europeanen, wat henzelf betreft, nooit goed of het deugt niet. De wijze waarop zij zich krampachtig spiegelen aan de VS om te weten wie zij zelf zijn, wordt nog het best zichtbaar in de gewoonte de waarde van de Europese munt uit te drukken in die van de Amerikaanse.

Een evenwichtige en tot volwassenheid uitgegroeide verhouding met de VS zal Europa dan ook pas krijgen wanneer zij een voorbeeld durft te nemen aan het patriottisme waarom de Europeanen de Amerikanen beurtelings verafschuwen en benijden. Meer dan een - op zich gerechtvaardigde - trots op het eigen land, is daarbij een fierheid op het eigen continent in het geding. Daarvoor zijn redenen te over. Een werelddeel dat zich langs vreedzame weg heeft weten aaneen te smeden is een historisch unicum. Dat het tegelijkertijd een grotere sociale en economische rechtvaardigheid heeft gerealiseerd dan waar ook ter wereld, zonder daarvoor zijn welvaart te hebben moeten opgeven, is een prestatie die moeilijk kan worden onderschat.

Tegen de achtergrond van dat succes is euroscepsis even ongerijmd als de hang tot zelfverachting die de Europese publieke opinie kenmerkt. Hoe irrationeel ze ook zijn, de oorzaken daarvan zijn met die constatering nog niet verdwenen, noch de Europese neiging het eigen continent bewondering te ontzeggen, om deze vervolgens te richten op wat te ver is (de VS) of juist te dichtbij (de eigen natie).

Zonder een ander Europees geluid zal de gemeenschappelijke Atlantische erfenis echter vergiftigd blijven door een wispelturig radicalisme, dat de vrucht is van een gebrek aan zelfvertrouwen. Het antwoord op Bush' duivelsalternatief voor of tegen Amerika te zijn, ligt op het Oude Continent zelf, ergens tussen Thank God the French exist en Dude, where's my Europe?

Ger Groot doceert filosofie aan de Universiteit van Antwerpen en aan de Erasmus Universiteit. Hij publiceert geregeld over filosofie, literatuur en actuele vraagstukken.