Eiolie

HET WORDT zomer. De tjiftjaf tjift en tjaft dat het een aard heeft en de komende zondag laat de Europese Commissie traditiegetrouw de zon een uur later ondergaan. Straks gaat ook de r uit de maand. Het kampeerseizoen breekt aan.

Dit zijn de weken waarin de lichtgewichtkampeerder onderzoekt hoe het kamperen dit jaar nog lichter kan dan vorig jaar. Voortaan de tanden poetsen met zeep, de handdoek ook als muts gebruiken of de muts als handdoek en de rugzak inrichten als slaapzak. Die kant gaat hij op. Hij koopt uitsluitend tweezijdig bedrukte wegenkaarten en haalt vooraf het kartonnen kokertje uit de WC-rol.

Om in vorm te komen is deze week nagedacht over de vraag hoe men een ei eetbaar krijgt met een minimum aan brandstofverbruik. De echte LG-kampeerder trekt er op uit met eipoeder, maar niet iedereen verdraagt dat. En er is geen land ter wereld waar niet in het kleinste dorp een vers stel kippeneieren te koop is. Dus daarom.

Maar 't was snel gedaan met het denkwerk. Het is evident dat het koken van eieren moet worden vermeden. Bij het eierkoken verwarmt men water dat later meestal niet wordt gebruikt en onbenut weer afkoelt. Ook blijft bij het koken de ongelukkige bolvorm van het ei behouden. Het duurt absurd lang voor de kookhitte door het stollende wit in het geel arriveert. Brandstofbesparende eibereiding komt neer op bakken. Het ging er alleen nog om uit te zoeken wat het beste was: omelet of roerei. Een kleine proef wees uit: roerei, dat kan binnen 40 seconden gaar zijn, daar is geen discussie over mogelijk. Het mooie van het roerei is dat-ie het desnoods zonder bakvet of spijsolie stellen kan.

Nu goed. Dan gaat het over een andere boeg. Stel dat de LG-kampeerder toch per se een gekookt ei wil en bovendien boven in de bergen zit, bijvoorbeeld op een hoogte van 3000 meter. Daar is de atmosferische druk nog maar 0,70 bar (zie de Standard Atmosphere Computations op aero.stanford.edu) en dat gaat gepaard met een flinke verlaging van het kookpunt van water. Uit een PT-diagram viel met enige moeite af te lezen dat het kookpunt van water er nog maar 89 graden Celsius is. In zulk water wordt een ei niet snel gaar.

Natuurlijk zet de kampeerder zijn eieren altijd op met koud water en vindt op de weg naar het kookpunt al veel stolling plaats, maar het lijkt wel zeker dat de uiteindelijke kooktemperatuur doorslaggevend is voor de snelheid van de garing. Heeft de kampeerder daar op zijn eenzame hoogte een mogelijkheid om zijn ei toch snel gaar te krijgen? Jazeker: als-ie een hogedrukpan had meegenomen, een Papiniaanse pot. Maar dat had hij niet want dat ging tegen zijn LG-streven in. Wat dan?

Hij moet zout in het water doen. Zout en alle andere stoffen die in water oplossen stoffen verhogen daarvan het kookpunt. Het kookpunt van water stijgt met ongeveer 0,5 graad Celsius voor elke `mol' stof die in een liter water oplossen wil. Voor keukenzout (NaCl), waarvan de moleculen in twee ionen uiteenvallen, is die waarde twee keer zo hoog: 1 graad. Maar daar staat tegenover dat een `mol' keukenzout ongeveer 58,5 gram weegt. De chemische kookpuntsverhoging kan praktisch gesproken niet compenseren voor de fysische kookpuntsverlaging.

In dit stadium van het denken leek het er op dat de kampeerder de handicap maar had te aanvaarden. Toen brak het inzicht door. Hij moet daar in de eeuwige sneeuw niet koken in water, maar in olie. Olie komt moeiteloos boven de 100 graden en heeft veel andere gunstige kookeigenschappen. Zo willen zelfs heel oude eieren (die in water drijven) in olie altijd nog goed zinken, wat de warmteoverdracht zeer bevordert. Het belangrijkste is dat de olie zelf maar heel weinig warmte (joules of calorieën) nodig heeft om op temperatuur te komen. De `soortelijke warmte' van olijfolie is maar 40 procent van die van water. Gerelateerd aan het volume (in plaats van de massa) is het zelfs nog minder, maar 36 procent. Althans: dat is wat het Polytechnisch Zakboekje erover te melden heeft. Zou dat verschil ook makkelijk meetbaar zijn?

Het was het proberen waard. Na wat trial and error was eergisteren de vlam van een gaspit van het keukenfornuis zo laag ingesteld dat het 9,5 minuten duurde voor een aluminium steelpan gevuld met 1 liter slaolie in temperatuur was gestegen van 11 tot 95 graden. Dezelfde vlam had er maar liefst 23,5 minuten voor nodig om 1 liter water in dezelfde pan van 11 naar 95 graden te brengen. (De waarde 95 was gekozen omdat op voorhand niet zeker was of het water de 100 wel zou halen.) De opwarmtijd van de olie was dus maar 40 procent van die van het water, een onverwacht bevredigende waarde.

(Even was daar het vermoeden dat uit het verschil in opwarmtijd tussen twee vloeistoffen waarvan de soortelijke warmte bekend is ook het rendement van het koken op een gasvlam kan worden afgeleid. Bij nader inzien is dat waarschijnlijk niet het geval, de zelfonderzoeker blijft daarvoor aangewezen op kooktoestelletjes waarvan hij het brandstofverbruik kan meten.)

Wijst de olie dus de weg naar het ultieme lichtgewichtkamperen? Een bezwaar is dat de olie moet worden meegedragen en op den duur vervuilt. Het water kan meestal in de omgeving van de tent worden ingenomen. Daar staat weer een formidabel voordeel tegenover: de olie is tot ver boven de 100 graden te verhitten, misschien wel tot 200 graden of nog meer. Een ei dat daarin garen mag is helemaal in een wip klaar. Dus ging de vlam onder de pan met slaolie extra hoog en werd er verwarmd tot de olie walmde en de ogen prikten. Daarna zou het ei erin.

Het was een losse waterdruppel die de aarzeling teweeg bracht. De enkele druppel die van de lepel viel waarop het ei lag bracht in de rokende olie zo'n onheilspellend gekraak en gebonk teweeg dat het opeens duidelijk was dat de proef in een explosie zou eindigen. De moed verdween. Uiteindelijk schoot er niets beters te binnen dan de zaak maar om te draaien en de hete olie te gieten over het ei dat een leeg bakje was gelegd. Die proef heeft niets bijzonders opgeleverd.