Brukom Neigem

Joyce Roodnat loopt door Nederland en de rest van de wereld. Deze week in het Belgische Pajottenland.

In het wufte parkbos bij Kasteel Gaasbeek blijft de wind in de hoogte steken: de witte anemoontjes krieuwelen onberoerd tussen de bomen; het oppervlak van de enorme ovale waterpartij, onderaan een tientallen meters de diepte in voerende quasi-natuurlijke trap, golft iets, maar niet overdreven.

Op de holle veldwegen, verzonken tussen heuvelende akkers en opbollend grasland, laat die wind zich niet storen en raast voort, vergezeld van pesterige sproeiregens. Als wind en regen me niet in de rug woeien zou ik het misschien wel laten afweten ten gunste van de `Kruipfuif' die hier met een bord wordt aangekondigd. Wat zou een kruipfuif eigenlijk zijn? ,,Een feest dat je op handen en knieën verlaat'', denkt man te weten. O, laat maar.

Het loopt grappig, over zand met plassen, smalle wegen van gescheurd asfalt en glibglib-karrensporen. De wilgen dragen aanminnig hun donzen katjes die beter `kuikentjes' zouden kunnen heten. Avé-Michel, onze alles en iedereen begroetende wandelkameraad, zegt dermate enthousiast een blaffend waakhondje goeiendag, dat het diertje wegvlucht en een kleine kilometer verder veiligheid zoekt in de armen van een verbouwereerde jongen bij een volgende boerderij: ,,Ik breng hem zo wel weer terug.'' Een clubje zwart en bont pluimvee, meer hanen dan kippen, schuilt in een sliertje achter een scheve boom en een donkere wolk duiven verwaait bevallig boven een enorme hoeve. Die hoeve is in het vierkant gebouwd, stallen aan de lange kanten, de korte kanten om te bewonen, alles rond een kloek kasseien-erf en achter een enorme poort. In Vlaanderen weten ze van poorten. Stoer en machtig zijn die poorten, overdreven misschien, maar aantrekkelijk: spierballen in het landschap.

Genoeg gewandeld. Morgen verder.

De volgende dag is de regen verdreven door steil stormzonlicht. De wind neemt toe, we vliegen over de paden. Brandweermannen zagen een over de weg gewaaide boom aan stukken. Het geluid van hun cirkelzagen draagt ver, het gekraak in de boomkruinen klinkt als een creatie van de hoorspelkern. De berkenstammen knipogen, maar we blijven niet: gauw het open veld in. Wat heb je liever op je hoofd, bliksem of een dikke tak?

We delen de paden met de wielrenners, weldra wordt de ronde van Vlaanderen gereden en dat inspireert. De fietsers verdwijnen langs de kammen van de geploegde akkers (geen mooier trekpaard dan het Belgische trekpaard), en langs de randen van de dorpen die volgebouwd staan met smakeloze villa-gevallen. Nee, dan de ruïnes hier. De verzakte schuren met hun afhangende rode pannendaken en brokkelmuren daar zijn ze hier beter in, die zijn niet te versmaden mooi.

31,7 km. Pag. 79-91 uit:

GR 512, `Vlaams-Brabant'. Uitg. Freddy Tuerlinckx, Antwerpen, 1998.