Bij Fischer ademt Dvorák vrijheid en weemoed

Ondanks de intrigerende gleufhoeden waaronder hij opduikt op menig cd-cover, is de Hongaarse dirigent Iván Fischer wars van uiterlijk vertoon. Van zijn eigen Budapest Festival Orchestra maakte hij het beste orkest van Oost-Europa door op een kamermuzikale manier met de musici samen te werken. Die betrokkenheid bij zijn eigen orkest is onverminderd intensief, maar Fischer is ook met enige regelmaat te gast bij het Concertgebouworkest. Daar leidt hij deze week viermaal een programma rondom de Zevende symfonie van Dvorák, voorafgegaan door werken van Prokofjev.

Fischers wortels en stijl zijn en blijven centraal-Europees, en als gastdirigent wordt hij ook voornamelijk voor centraal-Europees repertoire uitgenodigd. Fischers eigen artistieke ambitie kent overigens helemaal geen grenzen, en het pleit voor het Koninklijk Concertgebouworkest dat het hem benaderde voor een programma met behalve Dvorák, de Eerste symfonie (1917) van Prokofjev en diens Tweede pianoconcert.

Iván Fischer heeft een panoramische blik op de Zevende symfonie van Dvorák, die gisteravond opbloeide onder een geconcentreerde mix van muzikanteske vrijheid en de ademende aanpak van weemoedig glimlachende melodieën. Fischer dirigeerde het werk eerder dit jaar al in Rotterdam. Hij werkte toen samen met pianist Boris Berezovsky, die nu ook soleert in Prokofjevs Tweede pianoconcert. Met zijn erg vlezige toucher, doodstille reuzengestalte en watervlugge handmotoriek presenteerde Berezovsky zich als een ideaal solist voor dit onstuimige Tweede pianoconcert. In opwindend samenspel met Fischer en het orkest gaf hij een eigen karakter aan monumentale, modernistische én macabere momenten.

Prokofjevs Tweede pianoconcert en zijn Eerste symfonie ('Klassieke') ontstonden niet lang na elkaar, maar liggen stilistisch wel ver uiteen, vooral wanneer een dirigent het 'klassieke' aan de Eerste symfonie benadert als een strenge terugblik op Haydn en Mozart. Iván Fischer richtte de blik veel meer op de 'moderne' kant. Hij realiseerde een hoekig neo-classicisme dat niet omkeek naar Mozart, maar naar Stravinsky vooruitwees.

Anders dan anders klonken ook de andere deeltjes. De galanterie in de Gavotta was bedekt onder een gul laagje Weense schmalz en de compromisloze Finale deed denken aan het Wilde Westen.

Op zulke momenten bewijst Fischer dat muzikaliteit inderdaad geen grenzen kent. Om die reden is hij pas ook een nieuwe samenwerking aangegaan met het kleine, in perfectionisme goed bij hem passende Nederlandse platenlabel Challenge Classics.

Met zijn eigen orkest neemt hij daarvoor nu het niet midden-Europese repertoire op, nadat zijn andere label Philips ten onrechte voor die eer bedankte.

Concert: Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Iván Fischer m.m.v. Boris Berezovsky (piano). Programma met werken van Prokofjev en Dvorák. Gehoord: 26/3 Concertgebouw, Amsterdam. Herh.: 28 en 31/3, 1/4. Radio 4: 28/3, 14.15 uur.