`Ambtsmisdrijf bewindslieden vervolgen'

Ministers en staatssecretarissen moeten door het openbaar ministerie vervolgd kunnen worden bij verdenking van ambtsmisdrijven.

Dat bepleit voorzitter J. de Wijkerslooth van het college van procureurs-generaal in het Nederlands Juristenblad.

De bestaande praktijk, waarbij bewindslieden en Kamerleden bij ambtsmisdrijven, waaronder corruptie, gevrijwaard zijn van vervolging door het OM, moet middels wetswijziging van de baan. Door ,,historische ontwikkelingen en wetgevende onachtzaamheid'' genieten bewindspersonen nu feitelijk immuniteit, aldus De Wijkerslooth. Voor ambtsmisdrijven kunnen zij alleen worden berecht door de Hoge Raad. Het OM kan wel optreden bij `gewone' misdrijven.

Een onderzoek wegens een ambtsmisdrijf kan alleen na uitdrukkelijke opdracht van de Kroon of de Tweede Kamer.

Artikel 119 van de grondwet luidt: `De leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hun aftreden terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer.' De procedure is in 1855 vastgelegd.

De Wijkerslooth bepleit voor ambtsmisdrijven een zelfde procedure als voor de afhandeling van andere misdrijven. Wel zou er nog verlof van het parlement nodig zijn om bewindspersonen te kunnen vervolgen. Dat komt, volgens De Wijkerslooth, tegemoet aan ,,de begrijpelijke politieke behoefte'' om invloed te kunnen uitoefenen op justitie die óf te laks óf te voortvarend is bij vervolging van bewindslieden.

In 1855 is besloten om bij ambtsmisdrijven de procureur-generaal bij de Hoge Raad met het onderzoek te belasten omdat zijn onafzetbaarheid grondwettelijk is geregeld. Dat werd beschouwd als garantie tegen beïnvloeding op het onderzoek van buitenaf.

Een andere overweging was dat als justitie zou vervolgen, zich de situatie kon voordoen dat een minister van Justitie moet worden vervolgd door een aan die minister ondergeschikte officier van justitie. Sinds 1999 is de minister echter verplicht beide Kamers te infomeren als hij het OM een bevel geeft niet te vervolgen. Daardoor wordt volgens De Wijkerslooth voorkomen dat door politici gepleegde strafbare feiten in de doofpot verdwijnen.

De Wijkerslooth wijst er ook op dat de Hoge Raad en de procureur-generaal niet zijn toegerust om strafrechtelijk onderzoek te doen. In geval van vervolging zal daarom in de praktijk toch een beroep moeten worden gedaan op de diensten van justitie. ,,De vervolging van een politicus zal nooit een ongecompliceerde, frictieloze activiteit zijn. Maar als de stap dan toch gezet moet worden, dan liever op basis van deugdelijke wetgeving.''