Alleen de honden en ik zijn niet Hongaars

Kassa heet tegenwoordig Kosice en ligt in Slowakije, een land dat bedacht lijkt door Quentin Tarantino en John Travolta. De natuur is overweldigend, de wegen breed, elk dorp wordt aangekondigd met een hip jaren zeventig-bord of bouwwerk en ondanks de zee van ruimte is ieder gat verrijkt met een handjevol blokkenflats. Slowakije maakte lange tijd deel uit van Hongarije (langer dan Wales deel uitmaakt van Groot-Brittannië) en wurmde zich in 1919 los. De blitse, uitgebleekte uithangborden en neonreclames die elk gehucht opsieren hebben het ontroerende en hysterische van een puber die doende is een identiteit bij elkaar te sprokkelen.

Ik bel aan bij het statige herenhuis in de Mäsiarska ulica nummer 35 in Kassa. Hier woonde de schrijver Sándor Márai van zijn nulde tot en met zijn achttiende. Het is één uur donderdagmiddag. Slechts twee keer per week, op woensdag en zondag van 15.00 tot 17.00 uur, is de Sándor Márai-kamer geopend. Ergens in het huis blaft een hond. Een schaduw komt naderbij. Een vrouw opent de poort. Ze is vijftigplus, heeft een bril en lange grijsblonde haren. Ze gaat me voor door het kantoor van de Nationale Minderheden Club naar de Sándor Márai gedenkkamer, een ruime kamer met boogvormig plafond.

Centraal hangt een schilderij door Franz Wiesenthal. Het toont de kathedraal van Kassa. Op de kasseien lopen drie jongetjes, op de rug gezien. Ze staan niet prominent op het schilderij, toch trekt je oog naar hen toe. Ik weet niet of het door het goudgele licht, de combinatie van schooltassen en armen om elkaars schouder komt of door de wetenschap dat de jongens in korte broeken de drie broertjes Grosschmid zijn die alledrie hun naam hebben veranderd en alledrie naar het buitenland zijn vertrokken.

,,De oudste, de filmregisseur, veranderde zijn naam in Géza Radvanyi, de tweede werd advocaat en vertrok naar Zwitserland'', zegt de vrouw: ,,En Márai, dat weet u. Hij veranderde in 1919 op zijn negentiende al zijn naam. Zijn overgrootmoeder bezat mijnen in Transsylvanië bij het plaatsje Mára, waarnaar hij zich vernoemd heeft.''

,,Ze waren toch niet joods?'' zeg ik.

Het verhongariseren van je naam vergrootte in het begin van de vorige eeuw je maatschappelijke kansen aanzienlijk. Enkele tientallen jaren later waren er dwingender redenen het joodzijn te verhullen. Volgens de Historical Atlas of Central Europe leefden er in 2001 van de 137.000 joden van voor de Tweede Wereldoorlog nog tweehonderd in Slowakije.

,,Nee'', zegt de vrouw.

,,Waarom veranderden ze dan allemaal hun naam?''

,,Ik weet het niet.''Een rijzige man met een grijze baard komt uit het niets de kamer binnen. Hij komt naast ons staan, wijst naar de kathedraal en zegt in het Hongaars; ,,Dáár, op dat plein, bij het beeld van de onbekende Hongaarse soldaat, heeft op 14 maart 1919 Masaryk, die zogenaamde uitvinder van de democratie, het vuur laten openen op de feestende menigte (de 15de maart is dé nationale feestdag van de Hongaren – herdenking revolutie 1848) en een bloedbad aangericht.

,,Het beeld van de onbekende soldaat is gesloopt en gesmolten. Ze hebben er kogellagers van gemaakt, die zijn verkocht aan de chocoladefabriek in Trebisov. De onbekende Hongaarse soldaat wordt gebruikt om chocola te maken.''

De man gaat zitten op een stoel. Hij heeft enorme wenkbrauwen en ademt zwaar. ,,De sokkel is als fundering voor flats gebruikt. Een aantal stukken met inscripties zijn gered en bij de rivier verstopt onder een laag gras. Daar gaan we ieder jaar op de veertiende maart heen. We rollen het gras weg en herdenken. Alleen mensen die we absoluut vertrouwen mogen mee.''

Het gaat mijn – opgegroeid tussen de kunstwerken van de Hollandse éénprocentsregeling, een even mooi als vernederend idee; de overbodigheid lag bij de conceptie al vast – pet te boven; dat de scherven van een sokkel van een beeld ter herdenking van een mislukte revolutie tegen de Habsburgers van 150 jaar terug tot op de dag van vandaag verstopt moet blijven voor de Slowaken. Een ding is me duidelijk geworden in Centraal Europa; het zijn de kunstenaars – de beeldhouwers voorop – die baat hebben bij oorlogen en het schuiven met grenzen.

Ik vraag de vrouw met de grijsblonde haren wat er voorheen in deze kamer was.

,,Hier woonde een oude joodse man, Schiffer, hij huurde bij de familie Márai. In de oorlog hebben mijn ouders boven een muur gemetseld waardoor een kamer ontstond waar hij kon onderduiken. Zo overleefde Jozsibaci het.'' Ze zwijgt even en zegt dan het onnavolgbare waardoor je weer weet dat je niet in de polder bent. ,,Hij was zo dankbaar dat hij zich na de oorlog heeft bekeerd tot het christendom.''

Terug in Boedapest lees ik het gestencilde foldertje dat ik in de gedenkkamer bij me stak. `The Hungarian Community Center in Kosice based on the permission No 203-2003/0854 of the Ministry of Interior of the Slovak Republic, organises a collection between June 10, 2003 and March 31, 2004 with the aim to cover the cost of putting up a life-size statue of Sándor Márai in the historical center of Kosice. Our objective is that at least symbolically, we bring home the world-famous writer, a native of Kosice, who never denied his motherland no matter where he lived in the World.'

Márai is in 1947 voor het laatst in Kassa geweest en keerde nooit meer terug. Ik kan me niet onttrekken aan de indruk dat het geplande beeld een symbool is voor iedereen en alles dat verdween en nooit meer terugkeerde.

`Een enkele betoning van deemoed is een grotere heldendaad dan iedere gekopieerde prestatie van de toneelspeler, die het volk doet applaudiseren', schreef Márai in 1943. `Denk daaraan, voor het te laat is.'