Verleider van de straat

Architect Rem Koolhaas denkt in het groot. Sinds kort ook in Amerika. De Kunsthal en het NAi wijden tentoonstellingen aan zijn werk.

Deborah Jacobs is een kleine, kordate vrouw die heel goed weet wat ze wil, en vooral wat ze niet wil. ,,Af en toe moet je ook tegen je architect zeggen: nee, dat gaan we niet doen'', zegt ze. Haar blauwe ogen fonkelen onder haar oranje bouwhelm. Moet je maar net kunnen, als opdrachtgever je poot stijf houden als je architect Rem Koolhaas is, die even beroemd is om zijn ongedurigheid als om zijn gebouwen.

Jacobs is directeur van de openbare bibliotheek van Seattle, een van drie gebouwen van Koolhaas' bureau OMA in Amerika. Afgelopen najaar ging zijn eerste Amerikaanse gebouw open, een studentencentrum in Chicago; eind mei opent de bibliotheek in Seattle – daarom dragen we tijdens het bezoek nog een bouwhelm – en in juni een nieuwe Prada-winkel in Los Angeles. Bij wijze van vingeroefeningen gingen hieraan vooraf een mini-museum voor het Guggenheim Hermitage in een hotel in Las Vegas, en het interieur van de Prada-winkel in New York. Koolhaas coast to coast.

De bibliotheek is een van de aanleidingen voor de tentoonstelling CONTENT die morgen opent in de Kunsthal in Rotterdam – eveneens van de hand van Koolhaas.

Jacobs' bibliotheek staat midden tussen de hoge kantoren in het heuvelachtige centrum van Seattle, aan de Amerikaanse westkust. Het gebouw is groot, zo'n 120.000 vierkante meter over elf lagen, met een parkeergarage voor bijna 150 auto's eronder. Maar het is vooral de vreemde, hoekig vorm die opvalt, met diverse zwevende platforms die soms meer dan tien meter naar buiten steken. De gevels, een netwerk van lichtblauw staal met daarin tienduizend schuine ruiten, zijn er omheen gewikkeld als een laag huishoudfolie die de constructie ook stevigheid geeft.

,,Dit gebouw gaat over uitzicht'', zegt Deborah Jacobs. ,,Binnen vind je overal balkons die je niet alleen een blik dwars door het gebouw heen bieden, maar ook naar buiten, naar de bergen en naar de Stille Oceaan. Dat is wel een maatschappelijk statement in Amerika, waar de mooie uitzichten altijd aan de rijken zijn voorbehouden.''

Traditionele verdiepingen kom je in de gebouwen van Koolhaas niet tegen; hij maakt vloeibare ruimtes die via trappen en hellingbanen met elkaar zijn verbonden. In Seattle is de oude indeling van boeken in thema's en verdiepingen verlaten ten gunste van een spiraal die zich naadloos over vijf `verdiepingen' ontrolt langs schappen met anderhalf miljoen boeken. Het hart van de spiraal is een ontzagwekkend atrium met één wand van strak beton. Voor wie durft, is er een piepklein balkonnetje, meer een duikplank eigenlijk, waar je in de diepte van het atrium kunt kijken.

Volgens Jacobs heeft OMA een nieuwe relevantie én nieuwe vormen gevonden voor dit instituut dat achterhaald dreigt te worden. Deze bibliotheek is geen pakhuis voor drukwerk maar een ontmoetingsplaats, of een `informatiewinkel' zoals OMA het noemt. Dat brengt voor de directeur ook zorgen met zich mee, variërend van de overschrijding van de bouwtijd met een half jaar en van het budget van 120 miljoen dollar met nog eens 8 miljoen, tot de vraag of het binnen niet te lawaaierig zal zijn. ,,Toen de mensen van OMA de ruimtes met ongeschilderde gipsplaat wilde afwerken heb ik gezegd: dat gebeurt niet. En dat ze dat in de Prada-winkel in New York en het studentencentrum in Chicago wél hebben gebruikt, kan me niets schelen.''

De maatschappelijke functies zijn in dit gebouw minstens even belangrijk als de `studieuze'. Direct bij de ingang liggen bijvoorbeeld de kinderzaal, de zaal waar migranten Engelse les kunnen volgen en een auditorium. In zekere zin is het ook een voortzetting van de straat: voorbijgangers hoeven niet meer hijgend het stevige hoogteverschil tussen 4th en 5th Avenue te overbruggen, ze kunnen er – ook als ze niks te zoeken hebben in de bibliotheek – de roltrap nemen. Een ander, radicaal voorstel van OMA om ook op een andere manier het leven van de straat in het gebouw op te nemen, namelijk door douches te bouwen voor de onwelriekende daklozen die dit onvermijdelijk als hangplek zullen gebruiken, heeft het niet gehaald.

Ook voor het Illinois Institute of Technology (IIT) in Chicago kwam de prijsvraag voor een nieuw campus center die Koolhaas in 1998 won, voort uit een zoektocht naar een nieuwe toekomst. De campus van IIT, door de Duitse architect Ludwig Mies van der Rohe ontworpen in de jaren veertig, ligt aan de zuidkant van de stad in een wijk die zo door armoede, drugs en misdaad wordt geteisterd dat de bewoners die zelf `The Hole' noemen. Bovendien staan de gebouwen van Mies van der Rohe er zieltogend bij. Het werd voor IIT dan ook steeds moeilijker studenten te trekken. Wat doet het beter bij studenten die een opleiding volgen – tot onder andere architect – dan een eigen Koolhaas?

Levendigheid

Ontegenzeggelijk heeft het McCormick Tribune Campus Center hier, samen met nieuwe studentenhuisvesting van de architect Helmut Jahn, net als Mies van der Rohe een Duitse emigrant, een nieuwe levendigheid gebracht. Koolhaas heeft daartoe twee wegen bewandeld. Om de geluidshinder van Chicago's metro-op-stelten, de Elevated, terug te dringen, heeft hij eerst het spoor over een lengte van ruim 150 meter in een stalen buis ingepakt, en vervolgens het gebouw daaronder geschoven. Bovendien heeft hij voor de indeling binnen, de kris-kris patronen gevolgd van de paden die de studenten er al hadden uitgesleten bij het lopen tussen hun kamers aan de oostkant van de campus en de collegezalen aan de westkant. Zo ontstaan er binnenstraten die de verschillende activiteiten en zones – auditorium, kantoren, kopieercentrum, videospellen, kantine, lunchroom voor de staf – verdelen en verbinden.

Zoals in alle gebouwen van Koolhaas die ik heb gezien, lijkt de kans groot dat dit IIT-gebouw over een aantal jaar er shabby bij zal staan. Die plafonds van gipsplaat met spijkergaten erin, de dunne metalen platen met houtdessin waarmee de daklijsten zijn afgewerkt, de multiplex waarmee het koffiekioskje is bekleed, de vloeren waar aluminium platen overgaan in nu nog hoogglans kunststof in blauwgrijs of diepgroen. Zodra het sleets wordt verslapt de spanning van hard tegen zacht, ruig tegen geruststellend.

Dat neemt niet weg dat er een sterke gedachte achter het gebouw steekt. Bij binnenkomst valt meteen de felrood-oranje trog op die uit de vloer lijkt gehakt, waar een rij computers staat opgesteld; de stoelen die hier en daar in het gebouw staan, zijn in hetzelfde hot orange uitgevoerd. Ook hier zijn er bijna nergens verdiepingen, maar overal niveau's en hoogteverschillen. Het hoogste punt is het auditorium, het laagste punt de verzonken kantine. Traptredes van verschillende hoogtes doen tevens dienst als tribune wanneer er een belangrijke wedstrijd op het reusachtige uitklapscherm te zien is. Natuurlijk is er een felle controverse ontstaan over de vraag of Koolhaas wel voldoende respect heeft betoond aan de architectuur van zijn illustere voorganger Mies van der Rohe. Inderdaad is een van Mies van der Rohe's gebouwen, het Commons Building, nu vastgemaakt aan het studentencentrum om als eetzaal te dienen – maar het komt mij voor dat Mies van der Rohe eerder uit zijn eenzame oude dag wordt gehaald om mee te doen in het uitgelaten studentenleven dat met het gebouw van OMA op de campus is teruggekeerd.

Werd het grafisch ontwerp in Seattle verzorgd door Bruce Mau, die ook Koolhaas' boek SMLXL heeft vormgegeven, in Chicago heeft Koolhaas nauw samengewerkt met het bureau 2x4. Dat bureau heeft de bekende symbolen genomen van het menselijke lichaam dat je vaak op wc-deuren ziet en laat ze van alles doen: op een motorfiets rijden, aan tafel zitten te studeren, aan tafel zitten te slapen, skiën, hoelahoepen. Met die pictogrammen is heel ingenieus op de glazen voordeur van het gebouw een portret van Mies van der Rohe samengesteld, en op de glazen wand van het auditorium figureren ze met z'n drieën, 7 meter hoog – een siamese drieling in oranje als logo voor het gebouw.

Dikke huid

Om als bewaker te kunnen werken bij Prada in New York moet je over sociale vaardigheden én een dikke huid beschikken. Ik doe wat alle bezoekers kennelijk doen: ik loop om het strak opgestelde peloton etalagepoppen heen die de collectie van dit moment dragen. De bewaker wijst me er vriendelijk doch ferm op dat de winkel die kant op is, naar beneden en naar achteren. ,,Honderden keren per dag, vele honderden'', moet hij tegen nieuwsgierigen zeggen dat deze ruimte alleen visual display is. ,,Een hoop mensen beginnen dan te schelden.'' Ik kan me alleen verbazen: zoveel vierkante meters premium real estate voor een dubbelhoge mega-etalage. En dan die houten vloer, die over de hele breedte van de winkel omhooggolft met traptreden waarop je kunt zitten om naar het spektakel te kijken of om schoenen te passen.

Dit royale strooien met ruimte past natuurlijk bij de functie van de winkel als het nieuwe publieke domein: etalage wordt plein. In zijn XL uitgave Harvard Design School Guide to Shopping poneert Koolhaas immers dat het winkelen de laatst overgeleven vorm van openbare activiteit is – een treurige constatering, als dat betekent dat de winkel de enige plek is waar we elkaar ontmoeten, en consumeren het enige is wat ons nog bindt. Volgens OMA wordt in de nieuwe Prada-winkel in Los Angeles, die in juni opengaat, de scheiding tussen publieke en commerciële ruimte nagenoeg opgeheven: de winkel heeft geen voorgevel, als hij dicht gaat komt er een aluminium paneel uit de grond omhoog.

Prada Soho is ook een theater waar bezoekers (die misschien ook klanten zijn, maar misschien ook niet), personeel en spullen een doorlopende voorstelling voor elkaar opvoeren, gekruid met beelden op monitors die boven je hoofd hangen maar ook tussen de kleding in kooien van metalen gaas. Soms wordt de winkel letterlijk theater, als al die kooien langs een rail aan het plafond naar achteren worden geschoven om de `vloer' vrij te maken voor een evenement, of als uit de houten `golf' een podium wordt uitgeklapt.

Net als Prada is Koolhaas zelf een global brand geworden. Wie gebruikt wie? Je zou in een cynische bui kunnen beweren dat architectuur tegenwoordig weinig meer is dan merchandising: een bibliotheek, een universiteit, een luxe modemerk neemt díe architect die hen van het juiste hippe hedendaagse imago kan voorzien. Je kunt ook het omgekeerde beweren: dat de bibliotheek, de universiteit, het modemerk het niet op eigen kracht kunnen en op architectuur zijn aangewezen als laatste redmiddel om aansluiting te krijgen bij hun `doelgroep'.

Zelfs de oersaaie winkel van het studentencentrum in Chicago gaat in die wereldtrend mee: tussen de studieboeken en de blocnotes zijn T-shirts te koop met de leus van Mies van der Rohe `Less is more' en met het logo van het nieuwe OMA-gebouw, de siamese drieling in oranje op een wit shirtje. $14. Ik heb me gewonnen gegeven.

Net als Prada is Koolhaas zelf

een `global brand' geworden