Verhelp structurele problemen

Op 19 april presenteert de Raad voor Cultuur zijn advies voor het kunstenplan 2005-2008. Het Cultureel Supplement voorziet de Raad van vooradviezen. Aflevering 1: het muziekleven.

Nederland beleeft op muzikaal gebied een Gouden Eeuw. De laatste vijfentwintig jaar is het aantal concerten en optredens in allerlei genres zo krachtig geëxplodeerd dat het CBS het niet heeft kunnen bijhouden. Alles wordt in dit land minutieus geregisteerd, maar muziek klinkt altijd en overal, vooral buiten de werktijden van de statistici.

De cijfers over het totaal aantal musici, bands, groepen, ensembles, gezelschappen en orkesten zijn zeer gebrekkig, constateert ook de Raad voor Cultuur, die op 19 april zijn advies over het toekomstig kunstbeleid uitbrengt aan staatssecretaris van Cultuur Medy van der Laan. Maar zeker is dat nog nooit in de geschiedenis zóveel mensen actief muziek hebben gemaakt als nu en dat de publieke belangstelling daarvoor nog nooit zo groot is geweest. Ook wordt er uitzonderlijk veel muziek geconsumeerd via radio, tv, internet en cd's. Klassieke cd's liggen voor spotprijzen bij de drogist en worden graag gekocht.

Er zijn vele massaal bezochte festivals in hallen, stadions en in de openlucht. Er zijn 484 professionele podia, zoals concertzalen, culturele centra, theaters en kerkgebouwen waar concerten worden gegeven. Niet alleen de popmuziek bloeit als nooit tevoren, ook de musical, de jazz, de wereldmuziek en de klassieke muziek. Albert Heijn stuurde al lang geleden de klanten naar het Concertgebouw en ze komen daar nu op eigen initiatief. Sinds de jaren zeventig zorgden koffieconcerten voor een enorme toename van de belangstelling voor klassieke muziek, Douwe Egberts sponsorde ze niet voor niets.

Na de enorme toename in de jaren tachtig, steeg tussen 1989 en 1999 het aantal muziekuitvoeringen nog eens met 37 procent en het aantal bezoekers daaraan met 40 procent tot bijna zes miljoen. Het aantal muziektheateruitvoeringen steeg met 74 procent tot bijna 13.000, het aantal bezoekers steeg met 82 procent tot ruim vijf miljoen. Poppodia en incidentele optredens worden door het CBS niet geregistreerd, maar in 2002 trok de popmuziek 6,4 miljoen bezoekers en de musicals van Joop van den Ende 1,9 miljoen. Ensembles, veelal met eigentijdse muziek, en orkesten trokken ruim anderhalf miljoen bezoekers.

Het gaat goed, het gaat vaak fantastisch en voor grote veranderingen is geen enkele reden. Nederland is een van de belangrijkste muzieklanden met een zeer gevarieerd en kwalitatief hoog niveau op allerlei gebied. De Nederlandse Opera staat internationaal zeer hoog aangeschreven, evenals de Zaterdag Matinee. Het Koninklijk Concertgebouworkest behoort tot de selecte club van `wereldberoemde orkesten', Willem Breuker, Louis Andriessen, Candy Dulfer, Frans Brüggen, dj Tiësto, Ton Koopman, Ilse de Lange, Bernard Haitink en vele anderen hebben wereldfaam. Het Amsterdamse Concertgebouw is met meer dan 850.000 bezoekers de drukst bezochte concertzaal ter wereld.

Bedruipen

De muziekindustrie is voor een groot deel commercieel en bedruipt zichzelf, niet alleen in de popmuziek en de musicals. Er zijn 790 ongesubsidieerde kamermuziekensembles en slechts 29 gesubsidieerde. Ook de prestigieuze concerten die het Concertgebouw zelf programmeert – bijna de helft van alle concerten – worden niet gesubsidieerd. Maar voor een deel is de bloeiende muziekcultuur wel rechtstreeks te danken aan overheidssubsidies in verleden en heden. Regelmatig bezoek aan symfonieorkesten zou anders slechts zijn voorbehouden aan een kleine elite. Bij het Concertgebouworkest kosten de kaartjes nu tot 47,50 euro en bij de Nederlandse Opera maximaal 85 euro. Zonder subsidie zouden er weinig toehoorders komen, orkesten en opera's zouden allang failliet zijn.

Maar echt trots is de Nederlandse overheid niet op wat er is en wat ze zelf mede tot stand heeft gebracht. De kunstsector, zeker de muziek, is een van de succesrijkste beleidsterreinen. Maar minister De Geus (Sociale Zaken) opperde onlangs in de Volkskrant het idee om te bezuinigen op cultuur, omdat alleen de rijken daarvan zouden profiteren. Alsof er geen `normaal' mens naar concert of opera gaat. De overheid is er volgens De Geus alleen om mensen bestaanszekerheid te geven, niet om het culturele leven te stimuleren.

Tot nu toe rekent de overheid het stimuleren van cultuur echter nog wel tot haar taak. Maar een langetermijnbeleid met duidelijk geformuleerde kwalitatieve en kwantitatieve doeleinden bestaat niet. De blik van de overheid reikt niet verder dan vier jaar en wordt soms ernstig vertroebeld door een tijdelijke recessie. Staatssecretaris Van der Laan is al begonnen met bezuinigen. Ze wil 5,5 tot 7,5 miljoen besparen op het Muziekcentrum van de Omroep (MCO). Nu de omroep zelf niet eensgezind kan aangeven hoe in eigen vlees moet worden gesneden, dreigt Van der Laan zelf een beslissing te nemen: opheffing van het Radio Symfonieorkest. Dat brengt tenminste meteen het maximale bezuinigingsbedrag op. De Raad voor Cultuur mag er nog over adviseren, maar de goedkoopste uitkomst lijkt vast te staan.

De Haagse daadkracht staat haaks op de terechte zorgen in Hilversum en in de rest van het muziekleven in binnen- en buitenland over het instandhouden van het MCO. Het Muziekcentrum zorgt niet alleen voor een topprogrammering van Radio 4 en verschillende muziekprogramma's op tv, maar ook van allerlei concertzalen. Nadat er de afgelopen twintig jaar al negen orkesten zijn verdwenen, zal ook deze staatssecretaris zorgen voor verdere afbraak van de symfonische sector in muzikaal Nederland – het tafelzilver van de klassieke muziek.

Extra verontrustend is dat de staatssecretaris er geen enkele artistieke motivatie voor geeft. Het Radio Symfonie Orkest moet niet weg omdat het slecht is, of omdat het te veel is of omdat de zalen niet vol zitten. Het orkest is prima, het heeft werk, de zalen zitten vol. Het moet weg omdat er nu eenmaal overal moet worden bezuinigd, dus ook bij het MCO. Natuurlijk kan het MCO wel wat efficiënter werken, maar dat geldt nog veel sterker voor het Hilversumse opmroepbestel.

Afschaffen van het RSO verzwakt de klassieke sector in zijn geheel. Concerten vallen weg, ook conservatoria krijgen minder bestaansrecht. Het fundament onder de muziekpiramide wordt smaller, de top komt uiteindelijk lager te liggen.

De symfonieorkesten, de musea waar de klassieke muziek telkens weer tot leven komt, hebben toch al geen vanzelfsprekende toekomst. De vergrijzing houdt het klassieke publiek nog wel een tijd in stand – vooral boven de veertig begint men steeds meer van klassiek te houden – maar daarna wordt het moeilijk. De grenzen van de groei komen dan in zicht.

De komende decennia wordt de Nederlandse bevolking, vooral in de grote steden, steeds allochtoner. De blijvende waardering voor Mozart, Beethoven, Schubert, Brahms, Bruckner en Mahler ligt dan steeds minder voor de hand. Tenzij de inburgering en een brede educatie gepaard gaan met een algeheel herstel van conventionele Nederlandse en Europese culturele normen en waarden. Waarschijnlijk is dat niet, zelfs het kabinet-Balkenende II lijkt ze met de bezuinigingen op cultuur nu al te verlaten.

Ook financieel en economisch staat de muzieksector sterk onder druk. Cd's zijn in luttele jaren, puur commercieel gezien, bijna een margeverschijnsel geworden. Pop-cd's worden uiterst goedkoop van internet gedownload. Door het proletarisch luisteren heeft zelfs de Free Record Shop nauwelijks meer handel. Ook de `niet-kopieerbare' dvd van Marco Borsato ligt via internet alweer op straat. De klassieke platenzaak bestaat vrijwel niet meer, klassieke cd's koopt men veelal bij de drogisterijketen Kruidvat.

Contracten

De grote platenmaatschappijen zeggen hun contracten met popmusici op als ze iets minder verkopen. Zelfs het Koninklijk Concertgebouworkest kan nergens meer onder dak komen en begint maar een eigen label, al blijft de distributie lastig. Een cd is er eigenlijk alleen nog voor de pr, niet om eraan te verdienen. En dan zijn de kosten voor optredens, mede door overheidsmaatregelen zoals de Arbowet, flink verhoogd. Vorig jaar kwam er weer tien procent bij. Op de publieke belangstelling heeft het geen invloed, de muziekliefhebber houdt bovenmatig veel van muziek.

De overheid zou er een eer in moeten stellen het muziekleven verder te stimuleren en de grote structurele problemen zo mogelijk te verhelpen. Dat is op lange termijn belangrijker dan het eeuwige gemillimeter bij het verdelen van de subsidies, de een een beetje meer, de ander een beetje minder of liever nog een orkest helemaal opheffen.

Het vasthouden van het publiek en het werven van nieuwe belangstellenden is vooral voor de symfonieorkesten een van de grote opgaven om hun bestaan te blijven rechtvaardigen. Sinds de staatssecretarissen Nuis (D66) en Van der Ploeg (PvdA) zijn de orkesten al lang niet meer zo bedaagd als tien tot vijftien jaar geleden. Er wordt veel meer eigentijdse en Nederlandse muziek gespeeld, er zijn educatieve projecten voor scholieren, populaire muziek is geen taboe meer, orkesten organiseren festivals, management en marketing zijn sterk verbeterd, vriendenverenigingen zijn zeer actief, veel concerten worden voorafgegaan door inleidingen, na afloop kan men vaak nog wat blijven drinken. Een avondje naar een concert is tegenwoordig heel wat meer dan alleen maar luisteren naar muziek.

Het Nederlands Philharmonisch Orkest loopt voorop met deze eigentijdse `klantvriendelijkheid' – en directeur Schoonderwoerd gebruikt dat vroeger nooit gebruikte woord bij presentaties gewoon in een stroom van managementterminologie. Het orkest is een kunstbedrijf en het beleidsplan voor de periode 2005-2008 is helder en zakelijk.

Het orkest stelt kwaliteit voorop en heeft drie strategische doelen: nog beter worden, vollere zalen met meer nieuw publiek trekken en bedrijfsmatiger werken. Daarnaast zijn er ambities, zoals meer inkomsten uit kaartverkoop, meer concerten in de regio en de wijken, betere dirigenten en solisten en meer hedendaags repertoire. De gevraagde extra subsidie is minimaal: 50.000 euro voor nieuw beleid, naast een compensatie voor gestegen pensioenlasten.

Medy van der Laan zou het allemaal verheugd moeten lezen, al is haar houding ten opzichte van het Radio Symfonie Orkest dat via Radio 4 tienduizenden luisteraars bereikt niet geruststellend. Maar naast al dat zendingswerk om het fundament onder de klassieke muziek te verbreden, zou de staatsseceretaris ook de top van de symfonieorkesten krachtig moeten uitdagen.

Ik adviseer haar om een gemeenschappelijke `moderne serie' te suggereren van het Concertgebouworkest, het Rotterdams Philharmonisch Orkest, het Residentie Orkest en het Radio Filharmonisch Orkest. De orkesten reizen dan rond met prestigieuze concerten, waarin grote werken uit de eerste en de tweede helft van de 20ste eeuw worden gecombineerd met nieuw eigentijds werk. De concerten worden elk vier keer gespeeld zodat de vaak lange repetitietijd meer productie oplevert. En dan horen we, ook via Radio 4, niet alleen Stravinsky en nieuwe opdrachtwerken, maar ook weer eens Nono, Maderna, Stockhausen, Boulez, Messiaen en Berio. Het zou uniek zijn in de wereld.

Het gaat fantastisch

voor grote veranderingen is geen reden