Terroristen ontsporen, maar reacties erop ook

Terrorisme is de privatisering van de oorlog, zegt Joseph S. Nye, staatssecretaris van Defensie in de regering-Clinton, in The Paradox of American Power. Terroristen treden op buiten het verband van een staat, hoewel ze, wanneer hun dat zo uitkomt, wel gebruik – velen zullen zeggen misbruik – maken van de gastvrijheid of toegankelijkheid van staten. Het Afghanistan van de Talibaan is een voorbeeld van het eerste, het bezette Irak van het tweede.

Terroristen houden zich niet aan de regels van het volkenrecht, en, meer specifiek, evenmin aan die van het oorlogsrecht. Zij hebben, om de metafoor door te trekken, zichzelf gedereguleerd.

In het economische leven worden de uitwassen van de gedereguleerde wereldmarkt bestreden met nieuwe internationale en nationale toezichthouders, met nieuwe afspraken en met nieuwe regels. De bestrijding van het terrorisme lijkt eenzelfde patroon te gaan volgen. Wie nu wil regeren, kan zich uitleven.

Het eerste probleem is dat de terrorist een schim blijft, een gestalte opdoemend in het vage schijnsel van een infraroodcamera tijdens een nachtelijke operatie. Een hoge Amerikaanse officier in Irak, gevraagd naar de identiteit van de bommenleggers en zelfmoordenaars die hem en zijn manschappen belagen, gaf toe het niet te

weten. De spraakverwarring over de mogelijke achtergronden van de daders in de eerste uren na de aanslagen in Madrid mag politiek zijn uitgebuit, zij was in zekere zin authentiek. In de geprivatiseerde oorlog is nagenoeg alles mogelijk. Wat ook de onderlinge verschillen in motivatie zijn, één drijfveer bindt alle terroristen: de verslaving aan de roes van de macht en aan het eigen gelijk die met de daad gepaard gaat. Dat behoort tot de psychologie van het terrorisme.

Er zijn terroristen met voorstelbare, mogelijk zelfs haalbare doelen en er zijn terroristen die het ondenkbare denken. Tot de eerste categorie behoren separatistische bewegingen als de IRA, de ETA, de Tsjetsjenen. De IRA bewees dat met deze soort te praten valt, dat een politiek akkoord tot de mogelijkheden behoort. In een eerdere fase gold voor de Tsjetsjenen hetzelfde. Bewegingen als Al-Qaeda in al haar verschillende gedaanten zijn daarentegen veel moeizamer te plaatsen. Zij ventileren soms politieke doelstellingen, zoals de vrijwaring van als heilig beschouwde islamitische grond van ongelovigen, maar in aanleg zijn zij wereldverbeteraars die niet met een concessie te lijmen zijn.

Voorbeeld: de Amerikaanse troepen hebben zich teruggetrokken uit Saoedi-Arabië waar zij sinds de vorige Golfoorlog verbleven. Op de gewelddadige voorhoede van de politieke islam heeft dat feit zichtbaar geen enkele indruk gemaakt, hoewel Bin Laden de Amerikaanse aanwezigheid nabij de heiligste plaatsen van de islam het belangrijkste motief noemde voor de aanslagen op de Twin Towers en het Pentagon.

Het tweede probleem is de omvang van de gewelddadigheid. De vliegtuigkapers van de Zwarte September 1970 konden worden gekwalificeerd als desperado's. Israëls verovering van de westelijke Jordaanoever in de juni-oorlog van 1967 had een deel van de Palestijnse jeugd geradicaliseerd, maar die radicalisering vond geen weerklank, en al helemaal niet bij Arabische leiders die zo hun eigen problemen met Israël hadden. De kapingen waren een daad die voortkwam uit een hang naar erkenning, naar aandacht van de kant van de internationale gemeenschap. In die zin waren die kapingen een succes. Het terrorisme werd ook daarna lange tijd geleid door de wens de publieke aandacht vast te houden. Massamoord zou contraproductief zijn geweest.

Heel anders is het met Al-Qaeda en zijn navolgers. Hoe meer doden en gewonden, hoe meer chaos, des te beter. Dat had al duidelijk kunnen zijn vóór nine eleven. De schade bij een eerdere aanslag op het World Trade Center in New York bleef weliswaar beperkt, maar dat was niet de bedoeling geweest van de fundamentalistische bommenleggers. De bloedige aanslagen op de Amerikaanse ambassades in Nairobi en Dar-es-Salaam waarbij onder het publiek tientallen slachtoffers vielen, waren een signaal van wat nog komen ging. De aanslagen in New York en Washington van september 2001 staan inmiddels al lang niet meer op zichzelf: Bali, Istanbul, Casablanca, Bagdad, Riad en nu Madrid volgden. Prolongatie van de reeks is een kwestie van tijd. Het gaat deze daders niet om aandacht – die hebben zij in ruime mate – en zelfs niet om het bereiken van politiek te benoemen doelen. Hun doel is ontwrichting van het openbare leven en intimidatie van politieke leiders en het publiek.

De ontsporing van het terrorisme wordt geëvenaard door de ontsporing van de reactie. De strijd tegen het terrorisme wordt na de aanslagen in Madrid geijkt aan de bezetting van Irak. Wie zich uit Irak terugtrekt, zoals de aantredende Spaanse regeerders zeggen van plan te zijn, schaadt de bestrijding van het terrorisme, zo luidt het onbehouwen verwijt. De beschuldiging van appeasement – wat intussen zoveel wil zeggen als vaandelvlucht in het zicht van de vijand – wordt de Spanjaarden voor de voeten geworpen. Dat de Spaanse socialisten een verkiezingsbelofte zouden schenden als zij anders zouden besluiten, wordt als het kleinere euvel afgedaan.

Het is met de motieven voor de bezetting van Irak vreemd gegaan. Begonnen bij de veronderstelde noodzaak om door middel van wijziging van het regime in Bagdad Saddams massavernietigingswapens onder controle te krijgen, is de motivering nu via de wens om in Irak en omstreken de democratie te vestigen aangeland bij de noodzaak geloofwaardig te blijven tegenover het internationale terrorisme.

Dat de bezetting op die manier geheel afhankelijk wordt gemaakt van de luimen van datzelfde terrorisme, dringt kennelijk niet door. Zolang er, waar ook ter wereld, Al-Qaeda-achtige aanslagen worden gepleegd, kan de terugtocht uit Irak niet worden ondernomen, op straffe van vervolgens te worden beschuldigd van appeasement.

Wie weet, ook dit terrorisme zal misschien eens over zijn hoogtepunt heen raken, zoals dat met oudere vormen het geval is geweest. Maar wie daar niet lijdzaam op wil wachten, zal er toch een politiek antwoord op moeten vinden.

J.H. Sampiemon is oud-redacteur van NRC Handelsblad.