Steeds dichter bij het onbevangen kijken

In 1970 vatte Jaap Hillenius (1934-1999) het plan op om een meesterwerk te schilderen. `Een landschap in het zonlicht, met mensen onder bomen aan het water.' Zo systematisch als hij vervolgens uitvoering gaf aan zijn plan hebben weinig andere schilders in de kunstgeschiedenis het gedaan. Hij trok er eerst zes jaar voor uit om studies te maken van de verschillende onderdelen van het meesterwerk: in periodes oefende hij op de menselijke figuur, op de structuur van water en op de vorm van planten en bomen. Na die vormstudies wilde hij zich een paar jaar alleen met het licht en de kleur bezighouden, maar de zes jaar werden er uiteindelijk dertien omdat hij gaandeweg geobsedeerd raakte door het verlangen, die kleur en dat licht zo `onbevangen' en `eerlijk' mogelijk te registreren.

Net als eerder de pointillist Seurat en de kubist Delaunay streefde ook Hillenius in zijn schilderijen naar een objectieve, bijna wetenschappelijke weergave van de optische ervaring. Na een aantal `eerste proefnemingen op schaal' maakte hij vanaf 1988 zes grote geabstraheerde landschappen: duizelingwekkende, op art-achtige velden van kleurvlakjes, waar hij hoekige vormen en patronen van dikke lijnen overheen schilderde die gek genoeg wel wat aan het werk van Peter Struycken doen denken. Het zesde en laatste doek stond nog op zijn ezel toen Hillenius vijf jaar geleden bij een verkeersongeluk om het leven kwam.

In het boek Jaap Hillenius: poging om dichterbij te komen wordt dit verhaal vier keer verteld, door vier verschillende auteurs met elk hun eigen invalshoek. Drie van hen hebben Hillenius persoonlijk gekend en waren duidelijk op hem gesteld. Gelukkig hebben zij in hun bijdragen niet geprobeerd een objectieve toon aan te slaan. Integendeel, ze hebben hun vriendschap met de schilder en hun betrokkenheid bij zijn werk als uitgangspunt genomen. En omdat Hillenius vrienden had die goed kunnen kijken en schrijven, is het een erg mooi en leesbaar boek geworden, waarin de doublures nauwelijks storen.

Van K. Schippers werd een artikel opgenomen dat hij kort na Hillenius' overlijden schreef voor deze krant. Zijn reconstructie van de laatste dag uit het leven van de schilder ademt dezelfde gevoeligheid voor zonlicht en zomerkleuren als Hillenius in zijn doeken aan de dag legde. Schippers lijkt de wereld zoals Hillenius haar zag te willen schetsen in woorden, nu zijn vriend dat zelf in olieverf niet meer kan. Ook in de herinneringen die Betty van Garrel ophaalt aan haar gesprekken met de kunstenaar is de verslagenheid over zijn plotselinge dood nog steeds voelbaar.

Hans Sizoo gaat het diepst in op de ontwikkeling van Hillenius' werk. Bewonderenswaardig diep zelfs. Hij zet bijvoorbeeld geduldig en helder Eugène Chevreuls theorie over het simultaancontrast van kleuren uiteen, waar Hillenius veel houvast aan had. En hij legt uit hoe de bevindingen van de Amerikaanse onderzoeker Ogden Rood over optische kleurmenging, hem beïnvloedden. Maar bij dat alles haast hij zich te zeggen dat de schilder `de waarheid van het zien ook buiten de boekenkast zocht', want ze moest `eerst worden veroverd voor het eigen oog'.

Met de lezer stelt Sizoo zich tegen het eind van zijn stuk de vraag of die verovering van onbevangen kijken ten langen leste heeft plaatsgevonden. En hij antwoordt: `In een later stadium van zijn pogen geloofde Hillenius zelf er niet werkelijk meer in.' Volledig onbevangen kijken was voor een mens niet weggelegd, moest de schilder toegeven, en daarom omschreef hij zijn werk op het laatst als `een poging om dichterbij te komen'. Helaas krijgt zelfs Hans Sizoo in zijn tekst niet uitgelegd hoe die poging nu precies heeft kunnen resulteren in – bijvoorbeeld – de zes grote landschappen. Hoe de feitelijke kleur en vorm van de vlakjes door Hillenius werden vastgesteld. Wat de samenhang is tussen dat patroon van vlakjes en de lijnen die hij er overheen legde, en waarom die lijnen soms dik en soms dun zijn, en hier oranje en daar blauw. Wat, kortom, het uiteindelijke schilderij nog te maken heeft met de figuren onder de bomen aan het water die Hillenius voor ogen stonden. Een beetje omstandig stelt Sizoo vast dat de verregaande abstrahering leidde tot `een beeld dat alleen door de onregelmatigheid van zijn verhouding en rangschikking zijn herkomst vanuit een zichtbare wereld nog te vermoeden gaf'.

Samen met de vele reproducties in het boek roept zo'n zin de vraag op of Hillenius in zijn stilering niet gewoon een beetje te ver ging. De over elkaar gelegde patronen zijn vaak wel érg schematisch, de achtergronden wekken weleens de indruk braaf te zijn volgestippeld en in de kleurstellingen lijkt de behaagzucht het soms van de optische analyse te hebben gewonnen. Grote kans dat Hans Sizoo het hier niet mee eens is. En anders is hij er misschien bewust niet te diep op ingegaan. Omdat hij vond dat zoiets geen pas geeft in een boek dat toch vooral een hommage wil zijn, een monument voor een schilder die systematisch en ernstig een artistiek ideaal najoeg, maar toch ook schilderijen wou maken `waar de mensen met een glimlach voor stil blijven staan'.

Betty van Garrel, K. Schippers, Hans Sizoo e.a.: Jaap Hillenius: poging om dichterbij te komen. Ludion, 176 blz. €39,50