Resten uit het servies

Doodgewoon waren ze, al die plaatsjes waar de shoah heeft huisgehouden. Keurige stadjes, met winkels en scholen en parkjes en sportverenigingen en kinderen op vioolles en bijna evenveel synagogen als kerken. De Tsjechische schrijver Josef Škvorecký is geboren in het Boheemse provinciestadje Nachod, zo'n buitengewoon gewoon plaatsje, tot aan de komst van de Duitsers. `Kostelec', de naam die de schrijver aan zijn geboortestad geeft, vormde de achtergrond van Škvorecký's allereerste, zeer omstreden roman, De lafaards (1958). Nu is er, aan de vooravond van zijn tachtigste verjaardag en voor het eerst in een integrale vertaling, de verhalenbundel De zevenarmige kandelaar. Alweer lopen we door Kostelec, alweer aan de hand van Danny Smirick, het alter ego van Škvorecký en volgens sommigen de grootste literaire held in de Tsjechische literatuur van de tweede helft van de vorige eeuw.

De zevenarmige kandelaar (1964) bevat zeven verhalen: `Mijn oom Khon', `Dokter Strass', `Meester Katz', `Een verhaal voor Rebecca', `Mifinka en Bob de Killer', `Het verhaal van de koekoek', `Eine kleine jazzmuzik'. Het zijn kleine portretten van de joodse inwoners van Kostelec die Danny in zijn jeugd heeft gekend en die de oorlog niet hebben overleefd. Enkelen zijn we al in De lafaards tegengekomen, maar vluchtig. Figuranten in een groter verhaal. In deze zeven schetsen krijgen ze gestalte.

Elk van de verhalen verwijst naar een van de andere verhalen. Ze zijn komisch, ironisch, soms duister, maar nooit pathetisch: `Het gruwelijke van de oorlog, de schoonheid en de ontroering van de verhalen zit voor Škvorecký in het alledaagse,' schrijft vertaler Edgar de Bruin in zijn nawoord. Door de verhalen heen loopt nog een andere vertelling, die van Rebecca, een jonge vrouw die eruit ziet `alsof ze rechtstreeks uit het Hooglied was gestapt'. Samen met Danny zit ze op de bank in haar kamer in Praag, het is een regenachtige zondagmiddag, `op het ronde tafeltje naast de bank dampte koffie in twee ooit deftige, maar nu gebarsten kopjes. Ze waren verschillend, restanten uit het familieservies van, vermoedelijk omgekomen joodse gezinnen.' Rebecca heeft maar één verhaal, het enige dat er voor haar nog toedoet. Zij is wèl teruggekeerd na de oorlog, met alle narigheid van dien: `Ik voelde me als een indringer, ik wist zeker dat iedereen mij zag als een lastige joodse snotneus die het in haar hoofd had gehaald terug te keren, terwijl alle nette joden keurig in de gaskamer waren geëindigd.'

Af en toe onderbreekt Danny haar relaas om een eigen verhaal te vertellen. Een voor een voert hij zijn personages ten tonele: Oom Khon, die met de tante van Danny trouwt en het geluk heeft om vlak voor de Duitse bezetting aan een longontsteking te bezwijken, Dokter Strass, de zwijgzame huisarts die Danny ter wereld heeft geholpen en later zijn leven redt, Meneer Katz, zijn geliefde leraar Duits (`Daß, was du kannst, Daniel, daß kann dir niemand nehmen. Darum lerne, lerne Deutsch!'), de drie gedoemde Gebroeders Löbl, Sára Abeles, die midden in de nacht haar pasgeboren zoontje ruilt met de baby van een Duits echtpaar in de hoop zijn leven te redden en uiteindelijk de dood van beide baby's moet betreuren.

Danny neemt waar. Hij is nieuwsgierig: op een vrijdagavond na zijn Duitse les verstopt hij zich in een donkere nis in de oude joodse school, om te kunnen zien hoe de joden de gebedsruimte betreden voor de sabbatdienst. De stem van de cantor raakt hem zoals tot nu toe alleen de jazzmuziek dat heeft gedaan: `Ik luisterde en stikte haast door een vreemd en onbekend en vreselijk verlangen'. In `Meester Katz' bespreken leraar en leerling de verschillen tussen hun beider geloof, `en er ontstond een prettige sfeer tussen ons en ik verwonderde me er tevreden over dat alle dingen op de wereld bont en interessant en verschillend waren.' Als op den duur de omgang met zijn joodse buren te riskant wordt, moet Danny het contact verbreken. Hij huilt, het is ook onbegrijpelijk, maar men is machteloos.

In `Het verhaal van de koekoek', middenin de wanhopige geschiedenis van Sára Abeles en haar kinderen verschijnt opeens een meisje dat Rebecca heet en dat een kamer heeft in het centrum van Praag, `buitengewoon mooi als het regende'. In het najaar van 1952 hebben zij en Danny een kortstondige relatie, waarna ze voorgoed verdwijnt. Met wie heeft Danny dan al die tijd zitten te praten? En wanneer? Van alle verhalen in deze bundel is dit het meest raadselachtige, en dat weet de verteller zelf ook: `Wie er echtheid in zoekt, vindt onwaarschijnlijkheid. Maar het gaat hier niet om realisme. Is een oorlog soms niet eerder een fantasmagorie dan werkelijkheid, en als het de werkelijkheid is, zijn wij dan echte mensen?'

Josef Škvorecký: De zevenarmige kandelaar. Vertaald uit het Tsjechisch door Edgar de Bruin. Ambo, 167 blz. €17,95