Onvrede rechtbank over zaak-Anja Joos

De twee hoofdverdachten in de zaak van de vorig jaar bij een Amsterdamse supermarkt doodgeschopte Anja Joos zijn vanochtend tot celstraffen veroordeeld die sterk uiteenlopen. De rechtbank toonde ongenoegen over de telastlegging.

Hoofdverdachte Saïd B. (17) is tot drie jaar celstraf veroordeeld, conform de eis. De rechtbank acht bewezen dat B. zich heeft schuldig gemaakt aan ,,openlijke geweldpleging in vereniging en het medeplegen van zware mishandeling, met de dood als gevolg''.

De tweede hoofdverdachte, de 19-jarige Mohamed G., is veroordeeld tot een celstraf van achttien maanden voor ,,openlijke geweldpleging in vereniging, met enig lichamelijk letsel als gevolg''. Tegen hem was zeven jaar geëist.

De rechtbank acht deze uitkomst zelf ,,uit maatschappelijk oogpunt hoogst onbevredigend'' en acht zich in een motivering van het vonnis ,,er zeer van bewust dat de ratio daarvan aan niet-juristen nauwelijks valt uit te leggen. De keuzes van het openbaar ministerie maken dit gevolg echter onontkoombaar.''

Van de overige zes verdachten (eis twaalf maanden) zijn vier jongens veroordeeld en twee vrijgesproken.

De rechtbank verklaart het onderscheid in straf uit het verschil tussen de telastleggingen van het OM. Zij concludeert dat beide verdachten behalve als deelnemers aan openlijke geweldpleging ook kunnen worden aangemerkt als medeplegers van zware mishandeling, de dood ten gevolge hebbend.

Joos overleed begin oktober 2003 op het Gerard Douplein in Amsterdam. Een groep van overwegend Noord-Afrikaanse jongens had haar aangehouden omdat zij dachten dat ze bier had gestolen uit een Dirk van den Broek-vestiging. Na een etnisch getinte scheldkannonade van Joos, werkten de jongens haar tegen de grond.

Beide verdachten hebben volgens de rechtbank Joos daadwerkelijk getrapt, maar er kan volgens de rechtbank niet met voldoende zekerheid worden gesteld als gevolg van welke trap of trappen Joos nu uiteindelijk is komen te overlijden. Bovendien was het niet de bedoeling van de verdachten Joos te doden. Van doodslag worden zij dan ook vrijgesproken. Ook kon geen van beide verdachten naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid voorzien dat Joos als gevolg van in totaal drie of vier trappen op ,,niet zonder meer vitale delen van het lichaam'', zou komen te overlijden. Verdachten wisten niet en konden ook niet weten dat de milt van Anja Joos vergroot was, daardoor waarschijnlijk onder de ribbenboog uitstak en dus minder beschermd was.

Anders dan in de zaak tegen Saïd B. heeft het OM er in de zaak tegen Mohamed G. er echter voor gekozen om de zware mishandeling níet naast de openlijke geweldpleging ten laste te leggen, maar slechts als meer subsidiair, dat wil zeggen als vangnet voor het geval de rechtbank die openlijke geweldpleging niet bewezen zou achten. Nu dat wel het geval is, komt de rechtbank in de zaak G. niet toe aan het verwijt van zware mishandeling, de dood ten gevolge hebbend.

Het OM liet na afloop van de uitspraak weten dat het OM hoger beroep aantekent in de zaak tegen G.