Ongenode gasten

Ter gelegenheid van het 200-jarig bestaan van de Koninklijke Schouwburg verschijnt een boek over de geschiedenis van dit Haagse theater. Een voorpublicatie: in 1942 nam een Duits theatergezelschap de de Schouwburg over.

Op 10 mei 1940 stapte in Den Haag de negenentwintigjarige Leendert Trouw na een doorwaakte nacht om zes uur op de fiets. Veel vroeger dan gewoonlijk. Aangekomen bij het Voorhout zag hij dat de Duitse ambassade was belegerd door Nederlandse soldaten. Hij wist zich langs de blokkade te praten: ,,Er is vanavond voorstelling, ik moet naar mijn werk.'' Maar er zou die avond geen voorstelling gegeven worden in de Koninklijke Schouwburg. Het was oorlog.

De oorlogshandelingen tijdens de Duitse inval raakten de Koninklijke Schouwburg direct. Trouw, sinds 1937 als loonadministrateur werkzaam bij het theater en een fervent liefhebber van het afwisselende repertoire dat de Koninklijke te bieden had, maakte een dag na de capitulatie een verslag. Ook zonder die rapportage heet van de naald, staan hem de gebeurtenissen nog altijd helder bij. Het was 's morgens tussen tien en half elf, de rest van het personeel was er al en de acteurs zaten op nummer 6, op het kantoor van Cor van der Lugt-Melsert, toen een bom op de Casuariestraat terechtkwam. De laaddeur van het decor vloog naar beneden. ,,Ik werd in de lift geworpen en ik zag hoe een van de toneelknechts, Wagner, door de luchtdruk opzij geworpen werd, net niet onder de laaddeur.'' Zo'n vierhonderd ruiten van de schouwburg waren gesprongen en de achtermuur vertoonde gaten veroorzaakt door bomscherven en mitrailleurkogels.

Die dag werd de schuilkelder, die vanonder het toneel tot aan het Voorhout liep, voor het eerst in gebruik genomen. Trouw had zijn EHBO-doos bij zich en hij ontfermde zich over actrice Caro van Eyk bij wie de glassplinters in het gezicht zaten, en ook over de meisjes die hun huisjes in de Schouwburgstraat in een klap kwijt waren. Ze hadden gezien hoe het huis van bewaring vól was geraakt. De lijken van de gevangenen plakten tegen de tralies. Nog vaak is de schuilkelder gebruikt zodra er luchtalarm was. En veel later opnieuw om andere redenen.

Tien dagen bleef de Koninklijke Schouwburg dicht. De 239ste voorstelling van dat jaar, 9 mei Het Residentie Tooneel met Toontje heeft een paard geteekend, wordt in het Repertoireboek direct gevolgd door nummer 240 op 19 mei: Men zegt door het Nederlandsch Tooneel. In hetzelfde handschrift. Geen hapering. Alsof er niets was gebeurd. Na herstelwerkzaamheden ging de carrousel van toneelgezelschappen weer draaien en de Hagenaars stroomden toe, het was immers afleiding.

Naamswijziging

Sluipend kwamen de veranderingen. Drie maanden na de inval deed de administrateur van de schouwburg, J.H. Carpentier Altingh, op last van de bezetter een circulaire uitgaan: ,,Hierbij deel ik u mede, dat met ingang van heden de naam van den Koninklijken Schouwburg gewijzigd is in `Stadsschouwburg'. Ik verzoek u beleefd in het vervolg met deze naamswijziging rekening te willen houden.''

Kort daarop gaf de `stellvertretende Bürgemeister' C.L. van der Bilt toestemming aan de National-Sozialistische Gemeinschaft `Kraft durch Freude' om over het `Stadttheater' te beschikken op 23 augustus. Wel moest het rookverbod strikt worden opgevolgd. Een maand later volgde toestemming voor meer voorstellingen ten behoeve van deze vereniging die het vertier voor de Wehrmacht verzorgde. Zij het dat er een kleine `Aufmerksamkeit' geplaatst werd. Helaas moest na de vorige keer vastgesteld worden, aldus de gemeentesecretaris, dat de soldatenlaarzen de stoelen hadden bevuild. Gehoopt werd dat het niet meer zou gebeuren.

Alras werd de frequentie opgevoerd en kwam het dus ook vaker voor dat het theater in smerige toestand werd achtergelaten. Tijdens de uitjes van de Wehrmachtsoldaten draaide het buffet in de pauzes continudienst. Carpentier Altingh en zijn kleine staf schikten zich in de situatie. Er viel niets aan te doen dan te klagen bij de gemeente en aan te dringen op betaling van de kosten, vooral vanwege de derving van huurinkomsten. De burgemeester verzocht Carpentier Altingh hieromtrent een concept te schrijven, wat de administrateur terstond deed. De vergoeding voor dergelijke bijeenkomsten werd door de nieuwe huurder weliswaar schriftelijk beloofd, maar is nimmer betaald.

Vervroeging van de aanvangstijd en matinees op werkdagen moesten het probleem van de avondklok oplossen. Het personeel dat dienst had tijdens uitvoeringen voor de bezettingsmacht kreeg militaire begeleiding, zodat zij niet in overtreding waren. Het werd meer en meer nodig, want steeds vaker maakte de bezetter aanspraak op speeldagen. Steeds vaker schreef de administrateur brieven van eenzelfde strekking als aan Het Nederlandsch Tooneel op 22 april 1941: ,,dat de schouwburg op Maandag 12 mei a.s. is gevorderd voor een voorstelling voor de Duitsche weermacht, zoodat U over dezen dag niet kunt beschikken.''

Op de andere dagen ging het Nederlandse repertoire zo goed en zo kwaad als mogelijk nog door. Leendert Trouw: ,,Er zat bij elke voorstelling een verklikker in de zaal. We wisten nooit wie het was. Ze kochten een kaartje. Toen bij de voorstelling Het kan verkeren een van de acteurs een rode das droeg, kwam naderhand de NSB verhaal halen. De rode das moest af.'' Veel mogelijkheden om verzet te plegen waren er niet, alleen op een verholen manier: ,,In een andere voorstelling kwam de dienstbode waarschuwen: `Mevrouw het is zeven uur, de hoogste tijd.' De zaal applaudisseerde, want om zeven uur kwam Radio Oranje in de lucht. Die zin werd er aan toegevoegd, om het publiek.'' De Hagenaars bleven komen. Behalve de joden, voor wie het vanaf 15 september 1941 verboden was de schouwburg te bezoeken.

,,Des ochtends werden leden van de Hitler-Jugend opgenomen in de National Sozialistische Deutsche Arbeiter Partei.'' Deze notitie staat op 28 september 1941 in een cahier van opmerkelijke gebeurtenissen. De hal en het toneel waren versierd met bloemen en op de bijeenkomst werd het woord gevoerd door de rijkscommissaris Seyss-Inquart. Als half december voor de 150ste sterfdag van Mozart de Städtische Bühnen uit Dortmund komt met Die Entführung aus dem Serail kan de rijkscommissaris inmiddels beschikken over een speciaal voor hem ingerichte loge. Volgens Trouw was het tussenschot in de frontloge verwijderd: ,,Voor zover ik me herinner kon hij zich op die manier met meer mensen omringen. Daar had hij kennelijk behoefte aan.''

De rijkscommissaris was vanzelfsprekend aanwezig toen op 30 mei 1942 de Nederlandsche Kultuurkamer `feestelijk' werd ingewijd. Het Concertgebouworkest onder leiding van Toon Verheij verzorgde de muzikale opluistering en dr. Toni Goedewaagen, secretaris-generaal van het departement van Volksvoorlichting en Kunsten, hield een vlammende toespraak voor een zaal geüniformeerde NSB'ers en Duitsers. ,,Tot slot een ergerlijk drinkgelag en dronkemansgedoe'', luidt de aantekening in het cahier. Leendert Trouw was erbij: ,,Er werd altijd al gezópen door die uniformen, zwart en groen. Uit voorzorg hadden we deze keer dennenboompjes rond de buffetten gezet, maar ze duwden ze op de receptie gewoon weg.''

Conciërge Timmer kwam hem waarschuwen dat een stel militairen de dames-wc onderkotste en zich schoonmaakte met tafelkleedjes. ,,Ze werden bij kop en kont het gebouw uit gegooid, de petten er achteraan. Ten slotte was er nog één dronkaard over. Een Nederlander, van het gilde van toneelschrijvers. Ik heb hem zijn jas aangesjord en hem naar buiten gewerkt. `Dames en heren, hier komt de Kultuurkamer', zei ik onderwijl tegen het publiek dat voor de avondvoorstelling binnendruppelde.'' Het was de 52ste voorstelling uit het Afrekeningenboek: Gif door het Residentie Tooneel. De volgende pagina met nummer 53 zou drie jaar en anderhalve maand leeg blijven.

Opruimen

De dag na de installatie van de Kultuurkamer ruimden Carpentier Altingh en zijn staf hun spullen op en vertrokken. Het theater was opgeëist door het Rijkscommissariaat en ter beschikking gesteld van `Das Deutsches Theater in den Niederlanden', waarover de kranten al sedert begin van het jaar in enthousiaste toonaarden berichtten. Het was niets nieuws, schreef het Algemeen Handelsblad op 3 februari 1942, dat een theater uit een ander land zich hier vestigde: ,,Een tijd lang was te 's-Gravenhage een Fransche opera gevestigd. De Stadsschouwburg was het vijfentwintigste theater dat in bezet gebied was opgericht'', aldus meldde Joachim Bergfeld, `Leiter der Abteilung Kultur, Theaterdezernent des Reichkommissars', in een van de programmaboeken. Ingelijfd is een geschikter woord.

SS-Obersturmführer dr. Wolfgang Nufer, de intendant van het nieuwe gezelschap, ging onmiddellijk aan de slag. De gala-opening geschiedde op 19 november met Mozarts Don Giovanni. Hitlers rijksminister van propaganda Joseph Goebbels was er speciaal voor overgekomen uit Berlijn en in de frontloge zat naast de rijkscommissaris tevens de generaal der infanterie Reinhardt als vertegenwoordiger van het opperbevel van de Wehrmacht. Seyss-Inquart eindigde zijn openingstoespraak in de geest van de Führer: ,,Daarom gaat de strijder met den zanger en de zanger begeleidt den strijder. Deze taak is naar mijn wensch en opdracht ook aan het Deutsches Theater in den Niederlanden gesteld.'' Waarop, aldus de intergrale krantenverslagen: ,,dirigent Wilhelm Franzen den dirigeerstok [hief] en Mozarts onsterfelijke muziek weerklonk.''

Zo begonnen de ongenode gastvoorstellingen van de Duitsers in de voormalige Koninklijke Schouwburg in Den Haag. Twee seizoenen speelden ze stukken van Goethe, Hauptmann, Lessing, Schiller, gaven ze opera's van Mozart, Rossini, Verdi, Wagner en ontvingen ze artiesten uit het Groot Duitse Rijk die de Duitse gemeenschap plezierden. Er waren abonnementen van vijftien uitvoeringen per seizoen, te bekomen aan de Abonnementskasse van de Stadtschauburg. En voor het hogere kader was het na afloop aangenaam toeven in de bar in het souterrain, waar een casino werd gedreven. Achter het toneel hingen plakaten met het gebod: `Im Deutschen Theater nur der deutsche Gruss Heil Hitler!'

Veel opera's en stukken hadden in eerdere perioden op dezelfde planken gestaan, maar nooit tevoren was de pers zo unaniem lovend, minieme puntjes van kritiek daargelaten. Intendant SS-Obersturmführer Nufer kreeg met de jaarwisseling van 1942-1943 hartverwarmende gelukwensen, zelfs van de rijkscommissaris (`Heil Hitler!'), en het gastenboek dijde uit met accolades van de sterren, bijvoorbeeld van Hildegarde Ranczak en Alfons Fügel, de solisten van Don Giovanni.

Ersatzmateriaal

Een moeilijk gegeven werden en bleven de kosten. Sterker nog, die rezen per productie de pan uit, want Nufer liet kostbare spullen voor het atelier aanrukken. Eind oktober 1943 stuurde hij Lagerverwalter Grimm een memo over een te verwachte treinlading goederen uit Parijs. Ondertussen had ook Fraülein Hackenberg, hoofd van het kostuumatelier vele tientallen meters lamé, zijde en fluweel gekocht. Een maand later kregen de chefs van kostuum- en decoratelier te horen dat van nu af aan alleen nog gebruik mocht worden gemaakt van Ersatzmateriaal. De oorlogsindustrie ging voor.

SS-Obergruppenführer und General der Polizei Hanns Rauter anticipeerde in zijn nieuwjaarswens op 27 december 1943 aan `Lieber Kamerad Nufer!' op de situatie. Hij hoopte dat het gezelschap ,,in dem kommenden sicher harten Kampfjahr'' weer zou spelen. En dat deden ze. De gemeente stelde gelden beschikbaar voor diverse voorzieningen waaronder op 25 maart 1944 `vernieuwing van 23 closets' en verbetering van de `veiligheid bij luchtgevaar'. Men was op alles voorbereid.

De laatste grote voorstelling werd op 14 juni 1944 gegeven: Zar und Zimmerman. Er volgde daarna nog een als `Bunkerprogramme' omschreven bonten middag voor de soldaten, immers: het Deutsche Theater diende zich vooral op het culturele welzijn van de Wehrmacht te richten, aldus een krantenbericht. Of er over de programmering voor het volgend seizoen is nagedacht, lijkt niet waarschijnlijk. Zodra de geruchten over een ophanden zijnde invasie sterker werden, begon men met inpakken. Bewaard gebleven inventariskaarten laten zien dat in alle kantoren een portret van de Führer hing en bij de intendant, die zijn bureau had op de begane grond, tevens een van de Reichskommissar. Men had zich thuis gevoeld. Op 24 augustus 1944 verhuisden delen van de inboedel van het theater, waaronder `1 Kronleuchter', naar Arnhem waar het gezelschap diverse malen had opgetreden. Nog voor Dolle Dinsdag vertrokken SS-Obersturmführer Nufer en zijn gevolg als dieven in de nacht.

Leendert Trouw werd op 11 oktober 1944 officieel aangesteld als beheerder van de Stadsschouwburg. De eerste die hij zag was de conciërge, die gedurende de hele bezetting met vrouw en kinderen in het theater was blijven wonen. ,,Timmer opende de deur. Hij zei niet veel. Hij was ontroerd en ik ook. Dat we elkaar terugzagen en samen in het theater waren.'' Het theater was niet gehavend, opgeruimd zelfs. De meest opmerkelijke vondst betrof de grote voorraad stoffen en kostuums in een van de kamers.

Trouw liet de boel taxeren door de bank van lening en besloot de waardevolle balen goed op te bergen. Zijn volgende vondst kwam daarbij van pas. Op een avond ontdekte hij, afgaand op lawaai, dat voormalig personeel op de zolder boven het decoratelier een schuilplaats had gemaakt. Ze hielpen hem de balen onder het toneel te verbergen en er een muurtje voor te metselen: ,,Ik moest de spullen toch beheren?'' De klus was net geklaard toen een Feldwebel op een motor verhaal kwam halen. ,,Es ist hier geklaut geworden!'' riep hij uit toen Trouw hem de lege kamer liet zien. De man droop af en Trouw kon verder met beheren. Een schrijfmachine heeft hij omgeruild tegen een halve mud tarwe in Zevenhuizen. Op een andere tikte hij briefjes aan diverse instanties en personen. Om sleutels terug te krijgen. Om tabak op de kop te tikken bij `in beslag genomen goederen'. Om voor Timmer toestemming te krijgen de cokes die op de binnenplaats lagen te mogen stoken, aangezien de centrale verwarming niet meer werkte en hij ging in op verzoeken van derden om cokes af te staan: twee mud aan De Kameropera die daar in november om vroeg. Om ,,in verband met hun onmisbaarheid'' vrijstellingen van `Arbeitseinzets' te verwerven voor jonge personeelsleden. Zolang de vrijstellingen uitbleven, bivakkeerden de toneelknechten en technici vaak op zijn kantoor, bevreesd voor de razzia's. Ze aten er gezamenlijk van wat Trouws echtgenote Elisabeth langsbracht.

Opnieuw hanteerde Trouw zijn EHBO-koffertje toen in november een hotel was geraakt door een bom. ,,Er lagen er vijf dood, ik kon niets meer doen.'' Tot de hongerwinter aanbrak, bleef Trouw op zijn post. Met lieslaarzen aan sjouwde hij door de sneeuw een zak cokes naar huis. In februari 1945 keerde hij een paar maal terug. In een brief aan de gemeentesecretaris toonde hij zich verbolgen over het feit dat de verlichtingsinstallatie gesloopt werd, waardoor het theater niet meer speelklaar was en hij wees op ,,art. 56 van het Landoorlogsreglement, hetwelk zich verzet tegen de inbeslagneming van alle inrichtingen, gewijd aan de Kunsten''.

Ook over de bominslag van 26 februari, waarbij het dak van de schouwburg beschadigd raakte, schreef hij brieven aan de burgemeester en aan Gemeentewerken. Maar het was nog niets vergeleken met het geallieerde bombardement op het Bezuidenhout van 15 maart. Trouw zag de branden vanuit huis. Het Korte Voorhout werd weggevaagd, op de schouwburg na. Het had weinig gescheeld. Na de bevrijding vertelde de acteur Hans Kaart hem hoe een officier zich die dag bij de brandweer aansloot en op het dak is geklommen om met een brandspuit de schouwburg nat te houden. Hij was in het dagelijks leven opera-intendant geweest in Oostenrijk. Trouw had hem na Dolle Dinsdag een keer ontmoet, maar geen aandacht aan een intendant in uniform willen besteden. ,,Door die Oostenrijkse officier is de schouwburg gespaard gebleven.''

Op 5 mei 1945 stak de conciërge Timmer de vlag uit aan het balkon. Er is nog op geschoten door een NSB'er. Twee dagen later besloot het teruggekeerde college van B&W tot herstel van de naam van het theater. Op 9 juli kon pagina 53 van het Afrekeningenboek worden ingevuld: de Tooneelgroep 5 mei 45 met de première Vrij Volk. De zaal van de Koninklijke Schouwburg zat vol. En de stroom van genode gasten kon weer een aanvang nemen.

Dit is een fragment uit het hoofdstuk `Genode en ongenode gasten, over twee eeuwen gastvoorstellingen in de Koninklijke Schouwburg.' Het boek `De Koninklijke Schouwburg 1804-2004. Een kleine Haagse cultuurgeschiedenis' (Walburg Pers) wordt op zondag 28 maart tijdens de opening van het jubileum gepresenteerd. De overige hoofdstukken over de toneel-, opera- en bouwgeschiedenis van de Koninklijke Schouwburg werden geschreven door Jean Paul Bresser, Rob Erenstein, Joost Groeneboer, Ton van Kalmthout, Paul Korenhof, Marlies van der Riet en Oscar Wibaut.

`Er werd altijd al gezópen door die uniformen'

`,Er zat bij elke voorstelling een verklikker in de zaal'