Liefde voor Nederland

Jarek Kubacki is de ideale immigrant, het soort allochtoon dat Nederland graag ziet of zegt graag te zien. Hij is geen vluchteling, geen asielzoeker, geen illegaal, geen schrijnend geval. Hij is geen moslim en hij komt uit een land dat onlangs tot de Europese Unie is toegetreden. Hij wil zijn familie niet naar Nederland halen en geen vrouw uit zijn geboorteland trouwen. Hij onderschrijft onze normen en waarden. Hij is goed geschoold, blank en spreekt perfect Nederlands. Hij heeft geen vals paspoort. Hij leest Nederlandse kranten en heeft stage gelopen in de Tweede Kamer. Hij heeft werk. Hij is geen goudzoeker, want in zijn geboorteland had hij ooit meer te besteden dan hier. Kubacki houdt van Nederland. Maar Nederland houdt niet van hem.

We moeten hem niet, die vreemde Pool die zich zeer verdacht aan de regels van het vreemdelingenbeleid houdt. Hij stelt zich niet op als slachtoffer maar informeert in plaats daarvan vriendelijk naar de te volgen procedures. Hij wil hier blijven, Nederlander worden. Het lukt hem niet. Ik zie hem falen, vastlopen in een brij van bureaucratie waarvan hij aanneemt dat er toch een zekere logica en rechtvaardigheid in te ontdekken moet zijn. Aan een dergelijke goedwillende houding zal hij vermoedelijk ten onder gaan. Ooit zal hij zijn liefde voor ons land verliezen. Hij weet dat zelf nog niet.

Toen Kubacki in 1995 als student naar Kampen kwam, werd hij gesponsord door de Europacommissie van het Werelddiaconaat van de Nederlandse kerken. Zijn studie ging goed en Kubacki, te vrijzinnig om in Polen ooit predikant te kunnen worden, voelde zich in het Nederlandse kerkelijke en theologische klimaat op zijn plaats. Ook de Europacommissie was tevreden en besloot eind 1995 dat de jonge Pool zijn studie moest voltooien. Men probeerde de juridische en financiële formaliteiten daartoe in orde te maken maar dat lukte niet zo snel. Kubacki keerde terug naar Polen tot het in orde was. Dat was de gedragscode waar hij zich aan wilde houden, opdat het zijn geliefde Nederland geen cent zou kosten. Hij kon pas in het najaar van 1996 naar Kampen terugkeren. Een jaar later studeerde hij af in de theologie. De vooruitzichten waren goed. De remonstranten stelden Kubacki in de gelegenheid om de predikantenopleiding in Leiden te volgen en een promotieonderzoek te verrichten. Totdat de zaken financieel rond waren, keerde Kubacki weer terug naar zijn geboorteland.

Bij terugkomst in Nederland in 1998, klaar om in Leiden aan zijn opleiding en onderzoek te beginnen, liep het fout. Vanaf die tijd zou Kubacki geconfronteerd worden met steeds absurdere bureaucratische problemen en situaties. Die werden in het begin vooral veroorzaakt door het feit dat men bij de vreemdelingendienst niet wist wat men aanmoest met de zogeheten duplex ordo aan onze rijksuniversiteiten. Die duplex ordo houdt in dat een afgestudeerde die een kerkelijke opleiding volgt, student van het kerkelijk seminarie blijft. Kubacki was dus tegelijkertijd student én afgestudeerde. Als promovendus was hij ook nog eens werknemer. Voor iemand met zo'n profiel bestaat natuurlijk geen aparte categorie. Daar moet je dus van af. Uitzetting dreigde. Aan het eminente wetenschappelijke belang van Kubacki's onderzoek waarop de Leidse universiteit wees in een brief aan de toenmalige staatssecretaris van Justitie, Job Cohen, werd geen waarde gehecht. Na maanden antwoordde Cohen dat uitzetting alleen niet zou plaatsvinden, omdat dat te ingewikkeld was. Een wat magere redenering voor iemand die eerder rector magnificus in Maastricht was.

Het hoogtepunt van bureaucratische verwarring kwam in 2001. Kubacki woonde inmiddels samen met een Nederlandse vrouw. Hij dacht in 2003 de Nederlandse nationaliteit te kunnen aanvragen, omdat hij inmiddels vijf jaar in Nederland verbleef. Dat ging niet door. De Koppelingswet was inmiddels ingevoerd en omdat Kubacki van Cohen een nieuwe verblijfsvergunning had gekregen, telden de vijf jaar pas vanaf dat moment. Kon Kubacki dan misschien op grond van het feit dat hij samenwoonde met een Nederlandse toch de Nederlandse nationaliteit verkrijgen? De burgerlijke stand in Leiden moest daarover helderheid verschaffen. Na een gesprek van drie kwartier vroeg de ambtenaar aan Kubacki: ,,Beheerst u de Nederlandse taal?'' Kubacki viel stil en keek haar vragend aan. Hij had het gesprek toch in het Nederlands gevoerd? Maar hij had geen certificaat van een taalcursus. Kubacki had ooit in Kampen beloofd dat hij Nederlands zou leren en dat had hij gedaan. Zelf, zonder cursus.

Wat nu? De ambtenaar vertelde hem dat een diploma van een Nederlandse Universiteit het certificaat van de taalcursus kon vervangen. Kubacki stuurde haar een kopie van zijn diploma. Enige dagen later belde de ambtenaar op met de mededeling dat het diploma toch niet als bewijsstuk kon dienen. Het was niet Nederlands, het was vreemdtalig. Het diploma was in het Latijn opgesteld.

Inmiddels is het 2004. Kubacki is getrouwd en heeft een nieuwe baan. Hij is pastor van de Dominicusgemeente in Amsterdam geworden. Het is zijn droombaan. Maar Nederlander is hij nog altijd niet. Zijn aanvrage voor een verlenging van zijn verblijfsvergunning viel helaas net samen met de vaststelling van het financiële minimuminkomen voor vreemdelingen. Sinds januari 2004 bedraagt zo'n minimum 1.150 euro. Dat haalt hij niet als beginnend pastor met een halve baan. Hij komt 50 euro tekort. Hij dient daarom een aanvaag in om zijn status om te zetten van `arbeid in loondienst' tot `inwonen bij partner'. Het is niet duidelijk of zijn vrouw, een beginnend arts en niet in vaste dienst, wel genoeg verdient om hem in Nederland te laten blijven. Voorlopig zwijgt de IND.

Terwijl men voortdurend leest dat het allemaal draait om de verbondenheid van de nieuwe Nederlanders met hun nieuwe thuis, blijkt het daar bij het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit helemaal niet om te gaan. Het gaat niet om verbondenheid, niet om de kennis van de taal, van de geschiedenis en al helemaal niet om de liefde voor het polderlandschap en zijn bewoners. Het gekke is dat Jarek nog steeds van Nederland houdt. ,,Waarom eigenlijk?'', vraag ik hem. Hij zucht en antwoordt glimlachend: ,,Wat zou het voor liefde zijn als ik die vraag kon beantwoorden?''