Kletspraat bederft de zeden

Ook aan het CDA gaat de ideologische crisis in de politiek niet voorbij. Een hoogleraar aan de VU roept op tot een terugkeer naar Calvijn en andere erflaters van de christelijke filosofie.

Het semi-permanente debat over normen en waarden in Den Haag en omstreken heeft zo langzamerhand, om het bijbelboek Prediker te citeren, iets onuitsprekelijk vermoeiends. Afwezigheid van een richtinggevende visie op politiek en maatschappij is daarvan een belangrijke oorzaak. Politieke stromingen lijken hun inspiratie kwijt.

De manco's van hun ideologie brengen de liberalen ertoe de staat nadrukkelijker in te schakelen in de strijd tegen het morele verval en meer aandacht te besteden aan het belang van gemeenschapszin. De sociaal-democraten beseffen in toenemende mate dat de staat de mensen niet gelukkig kan maken. Wil men mensen niet passief en gemakzuchtig maken, dan moet men ze een zekere mate van verantwoordelijkheid laten. In Paars en op de Derde Weg groeiden liberalisme en socialisme naar elkaar toe, wat weer tot verdere uitholling van de twee denksystemen leidde. De opiniepagina's van deze krant waren de afgelopen weken toneel van het aanhoudende debat daarover.

In zijn boek Politieke filosofie van de christen-democratie probeert H.E.S. Woldring, hoogleraar politieke filosofie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam en Eerste-Kamerlid voor het CDA, een schets te geven van een politieke filosofie van de christen-democratie. In het licht van de crisis in het denken over staat en maatschappij is het boek te beschouwen als een poging tot `herbronning' van het christen-democratische gedachtegoed. Ook het CDA kan een heroriëntatie op zijn beginselen goed gebruiken. Ook aan deze partij gaat de crisis niet voorbij.

Daartoe destilleert Woldring in het eerste hoofdstuk vier kernbegrippen uit het program van uitgangspunten van het CDA, die hij als bakens beschouwt waarop christen-democratische politiek zich moet richten: gerechtigheid, solidariteit, gespreide verantwoordelijkheid en rentmeesterschap. Deze vier kernbegrippen karakteriseren voor hem het politieke en maatschappelijke antwoord dat mensen moeten geven op de bijbelse boodschap. Daarin ligt de christen-democratische visie op mens, maatschappij en overheid verankerd.

In de volgende hoofdstukken wandelt Woldring dan in grote stappen door de geschiedenis van het christelijk denken, te beginnen bij `de zondeval van het christendom', toen onder keizer Constantijn de overheid veranderde van vijand in beschermer van de kerk, via Augustinus, Thomas van Aquino, Reformatie en Contrareformatie, Verlichting en restauratie, om ten slotte uit te komen bij de partijen die de bakermat vormden van het CDA: de Antirevolutionaire Partij, de Christelijk-Historische Unie en de Rooms-Katholieke Staatspartij, later de Katholieke Volkspartij.

Privé-sfeer

Bij alle verschillen binnen het christelijk denken over staat en maatschappij, onder andere tussen katholicisme en calvinisme, constateert Woldring dat er een gemeenschappelijk normatief idee van de staat bestaat. Het terrein van de staat is volgens de christen-democratische visie `onbeperkt, maar niet onbegrensd'. Dat betekent dat de overheid de eigen competenties en verantwoordelijkheden van de burgers in hun privé-sfeer niet mag aantasten en dat ze rekening moet houden met de eigen bevoegdheden van de verschillende samenlevingsverbanden. Dat laatste impliceert erkenning van de gedifferentieerdheid van de samenleving en erkenning van de rechten en verantwoordelijkheden die mensen in verschillende maatschappelijke verbanden hebben.

Vervolgens confronteert Woldring zijn opvattingen met de ideeën over staat en samenleving zoals die zich binnen het liberalisme en de sociaal-democratie hebben ontwikkeld. Hij keert zich daarbij tegen het liberale beginsel van de menselijk autonomie en de individualistische vrijheid, alsook tegen de socialistische gedachte die de staat als de belangrijkste representant van de samenleving beschouwt. Ook Woldring constateert dat liberale en sociaal-democratische opvattingen over staat en samenleving naar elkaar toe groeien. Hij staat onder meer stil bij de geschriften van Paul Kalma, een PvdA-denker die al te hoge verwachtingen van de staat nadrukkelijk tempert en oog heeft voor de behoefte aan vrijheid bij de burger.

Nadrukkelijk schermt hij het CDA af tegen het conservatisme, zoals dat het meest recentelijk zijn manifestatie heeft gevonden in de activiteiten rondom de Edmund Burke Stichting. Met de conservatieven deelt de christen-democratie de visie dat de mens tot alle kwaad geneigd is. Maar de christen-democratie moet op basis van haar beginselen ook werken aan het humaner en rechtvaardiger maken van maatschappelijke structuren.

Revitalisering door terug te keren naar de bronnen zo zou men de teneur van Woldrings boek kunnen aanduiden. Hoewel zijn boek in de eerste plaats bedoeld lijkt voor een kritische evaluatie van de christen-democratische praktijk, biedt het evenzeer aanknopingspunten om met meer aandacht terug te grijpen naar die bronnen.

Nemen we bij Woldring uit de tweede hand kennis van de opvatting van Calvijn over de overheid, het onlangs verschenen boek De handzame Calvijn van de theoloog Rinse Reeling Brouwer biedt de mogelijkheid rechtstreeks kennis te nemen van diens ideeën over dat onderwerp. Gezien de grote invloed van het calvinisme op de Nederlandse samenleving, is het een goede gedachte geweest een aantal geschriften van de Geneefse hervormer in een nieuwe, toegankelijke vertaling onder de aandacht te brengen.

Woldring schrijft samenvattend over Calvijns kijk op de overheid dat die veel positiever was dan die van Augustinus en Luther. `De staat behoorde niet tot het rijk van het kwaad (Augustinus), noch diende hij slechts om het kwaad te weerstaan en de politieke gerechtigheid te bevorderen (Luther), maar de staat behoorde als wereldlijke regeringsvorm in dienst te staan van het komende koninkrijk van God.' Hoe Calvijn dat zelf formuleerde valt nu te lezen in de Nederlandse vertaling van zijn catechismus uit 1537. Daarin schrijft hij over de gezagsdragers `dat zij dienaren van God zijn, om degenen die goeddoen te prijzen en om Gods wrake te brengen over degenen die verkeerd handelen. En daarom behoren gezagsdragers eraan te denken in wiens dienst zij staan als zij hun functie uitoefenen, en te zorgen dat zij niets doen wat dienaren en plaatsvervangers van God onwaardig is. Welnu, zo ongeveer al hun zorg moet hierop zijn gericht dat zij de godsdienst in het openbare leven in ware zuiverheid bewaren, dat zij het leven van het volk door heel goede wetten vorm geven en dat zij zorgen voor het welzijn en de rust van al hun onderdanen, zowel in het openbaar als privé.'

Onderwijzing

In deze bloemlezing laat Calvijn zich voluit kennen als de intellectueel die op 1 augustus 1559 bij de uitgave van zijn Institutie of Onderwijzing in de Christelijke Godsdienst schreef: `Ik beken dat ik behoor tot het getal dergenen die, door in kennis te vorderen, schrijven; en door te schrijven, in kennis vorderen.' De vertalingen van Hein van Dolen, latinist, en Hannie Vermeer-Pardoen, kenner van het zestiende-eeuwse Frans, maken het lezen van zijn werk tot een genoegen.

Het merendeel van de teksten heeft een theologisch karakter. Calvijn zag zijn taak vooral in de uitleg van de bijbel, die in de zestiende eeuw een gesloten boek was geworden. Maar dat was een activiteit die niet zonder consequenties bleef. De aanhangers van `de nieuw leer' hadden veel te verduren. Zo is een brief opgenomen gericht aan een aantal studenten die wegens hun calvinistische ideeën in de gevangenis van Lyon zaten in afwachting van hun executie.

Verder is er een waarschuwing van Calvijn te lezen tegen het zingen van willekeurige liederen in de eredienst. Daar heeft Nederland de zogeheten gezangenkwestie aan te danken. Via vrome versjes sluipt de dwaalleer de kerk binnen, aldus Calvijn: `Het is een feit dat alle slechte praat (zoals Paulus zegt) de goede zeden bederft, maar als het op muziek is gezet, dringt het veel dieper door in het hart en het stroomt er zo binnen dat het gif en het verderf tot het diepst van de ziel doorsijpelt, als wijn die door een trechter in een vat wordt gegoten.' Calvijn besluit deze tirade met een pleidooi voor het zingen van de psalmen. Dankzij deze opvatting bestaat nog altijd huiver binnen de orthodox-gereformeerde kerken voor het zingen van gezangen en liederen.

Niet helemaal duidelijk is waarom de samensteller van deze bundel in de bijzonder informatieve toelichtingen bij Calvijns teksten af en toe afstand van hem neemt. `Tussen hem en ons staan, om maar iets te noemen, het gegroeide inzicht in het historisch en dus menselijk karakter van de bijbelse geschriften, de maatschappelijke en psychoanalytische godsdienstkritiek die ons in de botten is gaan zitten [...] Ik meen dus in mijn theologisch werk niet om Calvijn heen te kunnen en tegelijk met Calvijn boven Calvijn uit te moeten gaan.' Was hij misschien bang met de gereformeerde orthodoxie, die Calvijn nog op zijn woord neemt, op een hoop te worden gegooid? Maar overigens gelden voor deze bundel de woorden die Augustinus hoorde: tolle, lege! (neem, lees!) Terug naar de bronnen. Dat kan de inhoud van het debat op religieus, politiek en maatschappelijk terrein alleen maar ten goede komen.

H.E.S. Woldring: Politieke filosofie van de christen-democratie. Damon, 286 blz. €16,90

Rinse Reeling Brouwer: De handzame Calvijn. Van Gennep 340 blz. €22,50