Heimwee naar de Nieuwe Orde

Oudgedienden en familieleden van ex-potentaat Soeharto voeren in Indonesië campagne voor een terugkeer naar de `rust en welvaart' van toen. Ze hebben veel geld, maar weinig tact.

Je hoort het steeds vaker: ,,Onder Soeharto hadden we het goed; nu is het een zooitje.'' Bijna zes jaar na zijn aftreden is de oude heer, die teruggetrokken leeft in een villawijk van Jakarta, voor menige Indonesiër het zinnebeeld van betere tijden. Onder diens Nieuwe Orde, heet het, waren eten en buskaartjes betaalbaar, kregen boeren vaste prijzen voor hun rijst, was het veilig op straat en genoot Indonesië aanzien in de wereld. Onvrijheid, dwang en rechtsschendingen lijken vergeten. Mythevorming gaat snel in dit land.

Het korte geheugen registreert de ellende van vandaag en gisteren, en die is groot: werkloosheid, hoge prijzen, geweld op straat en corruptie. Wat zes jaar geleden gebeurde, is ver weg en Indonesiërs blinken niet uit in historisch besef. Dat is hun niet aan te rekenen, want de geschiedenis werd decennialang geschreven door propagandisten, niet door historici. De huidige machthebbers zijn medeschuldig aan de vertekening van het verleden, want menigeen had deel aan het ancien régime en nam daar nooit ondubbelzinnig afstand van.

Het is campagnetijd – Indonesië kiest op 5 april een nieuw parlement – en politici grossieren in gratis consumpties, T-shirts en schone beloften. Een van de 24 deelnemende partijen bespeelt nogal schaamteloos het heimwee naar de `zekerheden' van de Nieuwe Orde: de Partai Karya Peduli Bangsa (PKPB). De laatste drie letters staan voor `arbeid en bekommernis om de natie'.

De naam is nieuw, het kader niet. Voorzitter is generaal b.d. R. Hartono, gewezen chef-staf van de landmacht en minister in Soeharto's laatste kabinetten. Op de kandidatenlijst van de PKPB staan gepensioneerde legerofficieren, zakenpartners van de familie Soeharto en gewezen Golkar-bestuurders. Golkar was dertig jaar lang het politieke vehikel van Soeharto. In mei 1998, onder druk van massale studentenprotesten, liet Golkar de president vallen, nam de roep om reformasi over en zuiverde de eigen gelederen van Soeharto's verwanten en getrouwen. Veel generaals en kolonels, ooit de ruggengraat van Golkar, raakten politiek dakloos. Hartono is één van hen.

Het geheime wapen van de PKPB is Siti Hardijanti Hastuti `Tutut' Rukmana, Soeharto's oudste dochter. Tutut is puissant rijk. Zij maakte fortuin onder de Nieuw Orde dankzij overheidsopdrachten voor snelwegen en havenwerken. In het laatste kabinet van haar vader, dat slechts twee maanden bestond, was zij minister van Sociale Zaken. Pogingen haar te vervolgen wegens malversaties met overheidsgeld strandden in het openbaar ministerie, ooit een bolwerk van de Nieuwe Orde.

Tutut bedekt haar lokken met een vederlichte, modieuze hoofddoek en doorspekt haar volks-Javaanse teksten met vrome formules. Zij was het zachte gezicht van Soeharto's staalharde bewind, maar schijn bedriegt. Menige onderaannemer ging failliet omdat haar conglomeraat niet betaalde, of stierf een mysterieuze dood als hij het waagde te protesteren. Tutut is een gangsterkoningin, en zo vroom is ze niet. In de nadagen van de Nieuwe Orde circuleerden foto's van generaal Hartono met Tutut – getrouwd met de zakenman Rukmana – als een stoeipoes op zijn schoot.

De PKPB windt er geen doekjes om. De veelheid van partijen ,,verwart het volk'' en de militairen moeten weer een rol spelen in de landspolitiek, want ,,zij zijn het meest ervaren kader van Indonesië''. Tutut en de haren spelen open kaart, want zij geloven heilig dat het volk terugverlangt naar `hun' regime. Hartono rept van `SARS', een Indonesische afkorting voor `hevig-heimwee-naar-Soeharto-syndroom'.

Op campagne in de Javaanse provincie Yogyakarta, de geboortestreek van de oud-president, nam Hartono het scheldwoord dat hem vaak wordt toegevoegd van harte over als geuzennaam: `antek (handlanger, slaaf) van Soeharto'.

De gouverneur, sultan Hamengku Buwono X, die onder Javanen nog steeds groot gezag geniet, reageerde boos: ,,Het volk van Yogyakarta is niemands slaaf.'' Hij herinnerde eraan dat hij op 20 mei 1998, één dag voordat Soeharto aftrad, de massa voor zijn paleis had opgeroepen de eisen van de studenten te steunen.

De PKPB bulkt van het geld, want Tutut en haar zakenpartners tasten flink in de buidel. De televisie zendt meerdere malen per dag wervende spots uit waarin als boer, arbeider of student poserende acteurs hun heimwee naar de Nieuwe Orde belijden. Hartono en Tutut huren vliegtuigen en trekken de provincie in met goede gaven: voedselpakketten, biljetten van 50.000 roepia (5 euro) voor deelnemers aan bijeenkomsten en schoolgeld voor leerlingen uit loyale gezinnen.

Golkar, nu de tweede partij van het land, na de PDI-P van president Megawati Soekarnoputri, wil de eerste plaats heroveren, maar maakt zich zorgen over de PKPB, die zich aandient als het `echte Golkar'. Een voormalige Golkar-minister in de `reformasi'-tijd is blij met Hartono's loslippigheid: ,,Dat hij zich als `handlanger van Soeharto' afficheert, is zelfmoord. Dat stelt Golkar juist in een positief daglicht, want wij hebben ons vernieuwd, zij niet.''