Er moet iets bij

Foto-schilderijen zijn foto's met iets extra's als een haarlok.

Ze hebben de functie van aandenken, en zijn evocaties van rouw, weemoed en verlies. Het Van Gogh Museum wijdt er een tentoonstelling aan.

n 1966 of '67 kocht ik op de grootste vlooienmarkt van Parijs, de jaarlijkse Foire à la Ferraille, een stuk of acht heel merkwaardige schilderijtjes. Ze bestonden uit een ovale plak hout, schuin uit een cilindrische boomstam gezaagd, met daarop een beschilderde foto. Het waren portretfoto's uit de jaren dertig, de geschilderde toevoegingen dienden vooral om de randen weg te werken: struikgewas, overgaand in landschap, maar de personages zelf waren bijna niet overgeschilderd.

Het effect is frappant – soms alleen maar curieus, maar soms van een hallucinerende schoonheid, surrealistisch en onaards. Op een ervan bestaat de voorgrond uit een groene haag, van waarachter de bovenlichamen oprijzen van een niet meer piepjong bruidspaar, in sluiers en witte das. De afmetingen kloppen niet, de heg is niet hoog genoeg, het lijkt of zij er achter op hun knieën liggen of tot hun middel zijn ingegraven. Hun bleke gezichten steken af als spookverschijningen tegen de donkere achtergrond. Deze schilderijtjes waren kennelijk bedoeld als souvenirs voor nabestaanden; het zijn beelden van grote eenzaamheid, een blik in het rijk van de dood, herinnerend aan die op e-mail overgebrachte portretfoto's die je op plattelandskerkhoven in Frankrijk nog wel op grafzerken aantreft.

Toen ik deze schilderijtjes thuis bekeek drong tot mij door dat zij in feite een genre vertegenwoordigden: foto-schilderijen met de functie van aandenken, portretten van verdwenen dierbaren, evocaties van rouw, associaties oproepend met schimmen uit het hiernamaals. Ik had niet verwacht nog eens een tentoonstelling te zullen zien die exclusief aan zulke aandenkens gewijd zou zijn, maar dat wonder heeft zich nu voltrokken met de huidige tentoonstelling Vergeet me niet! in het Van Gogh Museum.

Wat intrigeert is de onmiddellijke herkenbaarheid van deze categorie van naar het morbide neigende beeltenissen, hoewel er bij mijn weten nooit eerder een tentoonstelling van is geweest. Wel van verwante dingen, verschillende soorten souvenirs, waarvan sommige al eeuwenoud: albumbladen, emblemen, merklappen, Stammbücher (`poessiealbums'), herinneringsobjectenbestaande uit beeld en tekst; ik denk aan het beroemde Leidse Album amicorum van Janus Dousa uit de 16de eeuw (herdrukt in 2000 in een schitterende facsimile-uitgave door de Universiteitsbibliotheek Leiden), maar ook bijvoorbeeld aan de uit hout gesneden beschilderde en beschreven rijstlepels die de mensen elkaar gaven in de Japanse interneringskampen; ik bezit er zelf een paar.

Zo'n album amicorum – een ander beroemd voorbeeld is dat van Klesheim, uit het begin van de zeventiende eeuw – is ook een souvenir, maar in omgekeerde richting: niet bestemd voor vrienden, maar afkomstig van vrienden: handgeschreven teksten, spreuken, prenten, ingekleurde tekeningen, emblemen en familiewapens, bedoeld voor de eigenaar van het album. Sommige van deze bladzijden doen denken aan verluchte handschriften uit de middeleeuwen, maar het merkwaardige is dat alle bekende voorbeelden dateren van na de Reformatie, vroegere zijn er niet; het zijn geen religieuze maar wereldlijke documenten. In latere eeuwen ontstonden hieruit de Stammbücher en het poessiealbum, doortrokken van herkenbaar dezelfde romantische gevoelens van weemoed en verlies die zo duidelijk een rol spelen in de objecten die nu geëxposeerd worden in het Van Gogh Museum.

Een suggestief voorbeeld is de cassette met het portret van Catherine Christ, vergezeld van de volgende tekst, gedateerd 29 Oktober 1859:

Dit is de beeltenis van Catherine Christ

Als ik dood lig in mijn graf

En mijn beenderen zijn verrot

Denk aan mij als gij dit ziet

Gedenk mij en vergeet mij niet

Het gras is groen De roos is rood

Ziehier mijn naam ook na mijn dood

Wat men op deze tentoonstelling ziet zijn souvenirs bestaande uit beeld plus boodschap, maar het bijzondere schuilt in het feit dat de beelden geen prenten of tekeningen zijn, maar foto's. Nog merkwaardiger is dat die foto's bij nader inzien niet zelf het souvenir blijken te zijn: er moest nog iets bij, alsof een foto alleen tekortschoot. Dat bijgevoegde kan een tekst zijn, maar ook een haarlok, een lapje stof, een krans oranjebloesem gedragen bij de voltrekking van een huwelijk; het kan zelfs een geur zijn, bijvoorbeeld van een takje rozemarijn dat zich samen met de foto in een doosje bevindt.

De foto onthult zich hier als niet doel maar middel – een hulpmiddel, onvolledig op zichzelf. Dat is verrassend, het gaat in tegen de verwachting dat de foto – van ouders, kinderen, verloofdes etc. – voldoende is als aandenken en samenvalt met de herinnering zelf. In de meeste beschouwingen over fotografie wordt dat uitgangspunt voetstoots aanvaard. Een van de weinige uitzonderingen is Roland Barthes: in La chambre claire, note sur la photographie (Le Seuil/Cahiers du Cinéma, Gallimard 1980) formuleert Barthes een standpunt dat afwijkt van de gangbare opvatting: een foto is ,,niet een kopie van de werkelijkheid, maar een uitdrukking (une émanation), van voorbije werkelijkheid.''

Niet iedereen begrijpt dat. Ik heb eens geschreven dat foto's `eigenlijk ruïnes zijn', en dat stuit soms nog steeds op onbegrip: hoezo, is dan de tegenwerping, een foto zorgt er toch juist voor dat iets intact bewaard wordt?

Andreas Blühm, conservator van het Van Gogh Museum, citeert in zijn voorwoord in het boek behorend bij de tentoonstelling, een opmerkelijk toepasselijke passage uit een van de brieven van Vincent van Gogh aan zijn broer Theo: ,,Ik werk aan een portret van Moeder, omdat de zwartwit-foto mij te veel irriteerde. Ach, wat zou je een portretten naar de natuur kunnen maken met de fotografie en de schilderkunst. Ik heb altijd nog de hoop dat ons in het portret nog een mooie omwenteling wacht.'' (Arles, 9 oktober, 1888).

Een foto bewaart iets, maar dat er door het proces van bewaren tegelijk iets wordt vernietigd is niet altijd duidelijk. Een portretfoto, vooral van een gestorvene, komt in de plaats van een herinnering; de foto verdringt het, vervangt het, doet iets vervagen in het geheugen. Barthes is daar nog explicieter over, hij voelt in foto's ,,la violence de la destruction de ce qui a été'', het geweld van de vernietiging van wat geweest is.

Geoffrey Batchen, samensteller van deze tentoonstelling en auteur van het bijbehorende boek (Forget Me Not: Photography and Remembrance), citeert in dit verband nog een andere uitspraak van Barthes: een foto is `noch beeld, noch werkelijkheid, maar in feite een nieuwe entiteit, een werkelijkheid waar je niet meer bij kunt.'

Dat `er niet meer bij kunnen' openbaart zich duidelijk in deze foto-souvenirs, ontstaan in de negentiende eeuw: een foto alleen is als aandenken aan een overledene onvoldoende, er moet iets bij. Er zijn zoals we al zagen verschillende dingen die als aanvulling kunnen dienen, maar de meest evocatieve toevoeging is haar – haar heeft iets magisch, het is of een haarlok, een medaillon met haar, een borduur- of vlechtwerk van mensenhaar een essentie van de gestorvene oproept, iets dat aan de foto een gevoel van werkelijkheid toevoegt, een gevoel van nabijheid van `iemand die echt heeft bestaan'; het is het enige zichtbare en tastbare overblijfsel van het verdwenen lichaam. ,,En niets'', zoals Lucebert heeft geschreven, ,,maakt heviger regenend het hart dan het herinnerde lichaam.''

De manier waarop zo'n foto-plus-haarlok de realiteit van een menselijke nabijheid oproept doet denken aan een reliek. Een reliek is een heilig voorwerp, dat zijn heiligheid dankt aan het feit dat het in de nabijheid van een heilige is geweest. De overtuigingskracht die dit heeft, en de manier waarop dit door de meeste mensen meteen wordt begrepen, roept het denkbeeld op van een parallelle natuurkunde, als ging het om iets meetbaars, een soort straling die kan worden aangetoond. Ook geur heeft een dergelijk vermogen. Batchen citeert een beroemde evocatie daarvan uit Madame Bovary; Flaubert beschrijft daarin het openmaken van een koekblik met liefdesbrieven en souvenirs: `er steeg een geur uit op van droog stof en verwelkte rozen' - en dat herinnerde mij weer aan een verbluffende beschrijving in The Woman Warrior van Maxine Hong Kingston (1976), over een Chinees meisje dat een doos met eigendommen van haar moeder opent: ,,Als ik het openmaak vliegt de geur van China er uit, een duizend jaar oude vleermuis die slaperig te voorschijn komt uit de Chinese grotten waar de vleermuizen wit zijn als stof, een geur komend van lang geleden, diep onderin het brein.''

In het voorgaande zagen wij al beeld en geur als toevoegingen bij deze foto's van lang geleden gestorven dierbaren; het enige dat nog ontbreekt is muziek. Dat komt in deze tentoonstelling niet aan de orde, maar muziek zou heel goed een onderdeel van deze aandenkens kunnen zijn. Toevallig las ik kortgeleden iets over de muziek, de melodieën die gehoord worden door oude mensen op hun doodsbed: ,, `Abide with me', een gezang geschreven in het midden van de 19de eeuw, is een van de meest gehoorde muziekstukken die gehoord worden tijdens muzikale hallucinaties'', aldus een Reuters-bericht van 6 maart 2004. Dat is opmerkelijk: dit gezang is even ontroerend, en heeft min of meer dezelfde nabijheid tot kitsch als de kunstvoorwerpen op deze tentoonstelling en ook de tijd klopt precies: het midden van de negentiende eeuw is ook de periode waarin de eerste foto-souvenirs ontstonden.

Er valt me nu in dat ik ook wel eens zo'n souvenir gezien heb, bestaande uit een doosje met daarin een foto en een polshorloge – een foto van een militair en een Brits officiershorloge uit de Eerste Wereldoorlog; ook dat past precies in het genre en het herinnert aan de gesneuvelde soldaat, die al dood is terwijl zijn horloge nog doorloopt, beschreven door Jean Cocteau.

De meest geheimzinnige en aangrijpende souvenirs zijn wat mij betreft de foto's waarop iemand – soms een kind, dat is het ergst – naar de foto van een gestorvene kijkt, iemand met een opengeslagen foto-etui in de hand, op schoot, op de tafel; je beseft dat je zelf kijkt naar iemand die ook al lang dood is, een soort Drosteblik-effect, een blik in het raadsel van de dood. Ook op het randje van kitsch, maar zoals Roland Barthes ergens en passant opmerkt: het is een materie die zich niets aantrekt van goede smaak.

Bij de oude Egyptenaren bestond het geloof dat de ziel van een dode bleef bestaan zolang er nog aan hem of haar gedacht werd. Het lot van een gestorvene aan wie niemand meer denkt was de verdwijning in het niets. Het is of deze tentoonstelling maakt dat de afgebeelde mensen dit lot nog even bespaard blijft. Dat is mijn indruk tenminste, ik kijk naar die gezichten, ik zie die medaillons met haarlokken er in, en een hevig verlangen naar die al zo lang geleden verdwenen mensen bevangt me. Ze kijken zo bedeesd, zo geduldig; die lieve Catherine Christ, in haar graf ergens in Amerika met haar verrotte beenderen – ik gedenk haar en vergeet haar niet, en zo kan ze nog even blijven bestaan, in mijn hersenen, zolang die er tenminste nog zijn.

,,Want'', zo besluit Geoffrey Batchen zijn boek, ,,deze foto's herinneren ons er aan dat herdenken weinig te maken heeft met het terugroepen van het verleden; het gaat altijd over het vooruitzien naar die verschrikkelijke, in gedachten verbeelde, lege toekomst waarin wijzelf zullen zijn vergeten.''

Een kortere versie van deze tekst werd op 25 maart uitgesproken door Rudy Kousbroek bij de opening van de tentoonstelling `Vergeet me niet!' in het Van Gogh Museum, Amsterdam. De tentoonstelling duurt tot 6 juni. Cat. €27,50.

Inl. www.vangoghmuseum.com

De foto onthult zich hier als hulpmiddel, onvolledig op zichzelf

Een hevig verlangen naar die verdwenen mensen bevangt me