Een gesloten burcht van papier

In de tweede helft van de jaren zestig heerste in Vlaanderen een wonderlijke literaire stroming, waarin surrealisme, hermetisch taalgebruik en vaak onbegrijpelijk associatief woordgebruik de hoofdtoon vormden. De boeken verschenen in de reeks 5e Meridiaan bij uitgeverij Manteau onder redactie van Julien Weverbergh. Twee voorbeelden daarvan zijn nu herdrukt in de Vlaamse Bibliotheek onder leiding van Hugo Bousset. Het zijn Scherpschuttersfeest (1968) door Marcel van Maele en Berichten om bestwil (1968) van Gust Gils.

Destijds is aan beide boeken in de Nederlandse kritiek niet veel aandacht geschonken. En was er belangstelling, dan vaak in negatieve zin. In zeker opzicht is dat begrijpelijk. Wat moet de Nederlandse lezer, geoefend of argeloos, met zinnen als: `Vele gebeurtenissen in deze eerbiedwaardige ruimte zijn/ een aderlating in niemandsland geduld,/ flapperend de verrukking/ de te laat aandravende kreet' (Scherpschuttersfeest) of: `Sterrenbeelden, aanstellerij van de melkweg. Alsof we niet doorhebben dat vanuit elke hoek van onze galaksie de nachthemel er totaal anders uitziet... O ja? Maar het maakt wel degelijk verschil uit. De intelligente schepsels in die verwijderde gebieden zien andere sterrenbeelden dan wij, houden er een dierenriem op na van ons onbekende monsters uit hun plaatselijke mitologie, die langs astrologiese weg hun leven denken en daden en wereldgeschiedenis beïnvloeden.'

Beide boeken zijn voorzien van een nawoord waarin Van Maele en Gils hun rechtmatige plaats terugkrijgen op de literaire kaart, waarvan ze zowat waren weggewist. Dichter Erik Spinoy die Van Maele uitleidt, is niet zonder kritiek. Hij besluit zijn naschrift met de zin `De opname van Scherpschuttersfeest in de ``Vlaamse bibliotheek'' heeft daarom iets dubbelzinnigs. Ze kan als een poging tot rehabilitatie worden beschouwd, maar ook als de definitieve bijzetting in de reeds goed gevulde grafkelder van de op het Vlaamse literaire slagveld gesneuvelden.'

Dat is geen geringe conclusie. Het pijnlijke is dat Spinoys observatie dicht bij de waarheid komt. Het probleem met een werk als Scherpschuttersfeest is dat de lezer zich buitengesloten voelt. Van Maele rijgt tal van observaties, gedachtesprongen en gebeurtenissen aaneen. Vaak is een zinswending briljant, zoals dat in poëzie kan zijn. Maar er ontbreekt de dwingende hand van de compositie. In Scherpschuttersfeest schuilt een wanhopig liefdesverhaal, wanhopig, niet zozeer omdat de liefde tussen de ik en de aanbedene onmogelijk is, maar omdat Van Maele de wanhoop in het tekortschieten van de taal wil uitdrukken. Van Maele creëert geen personages, hij schept gevoelens. Zoals in zinnen als de volgende: `Langs woede en ontgoocheling draaft de kanker van een te diep gewortelde droom.' En: `De liefde heeft haar huilend veroverd, maar zij heeft de liefde in het gareel van de haat gespannen.'

Ook het proza van Gust Gils komt dichtbij poëzie. Evenmin als Van Maele schept hij herkenbare situaties of tastbare figuren, zijn Berichten om bestwil zijn in het beste geval surrealistische, absurdistische miniaturen. Hij drukt zich compact uit, zoals in het volgende aforisme: `Is poëzie een sleutel, dan moet de broekzak nog gevonden worden waaruit hij niet verloren raakt.' Maar wat moet de lezer met de volgende observatie, gesteld in het fonetische schrift dat toen als vernieuwend gold: `Radionetten vingen draadloze beelden van vliegtuigen en dergelijke. Ze werden tot zeer lichte irrizerende ballen gekneed en eteriese oefeningen werden ermee gehouden – maar buiten de dampkring. Dit op polisiebevel.'

In de jaren waarin beide boeken verschenen werd de roman als literair genre doodverklaard. Die doodverklaring kwam voort uit wanhoop. De auteurs van toen konden niet schrijven in de traditie van voorgangers als Simon Vestdijk en Louis Paul Boon. In Berichten om bestwil en Scherpschuttersfeest is die literaire wanhoop in de vorm van onmacht af te lezen. De boeken zijn als tijdsdocument beslist interessant. Het teleurstellende is dat deze neorealistische auteurs graag een andere wijze van waarnemen en schrijven wilden bereiken. Maar ze gaan aan een wezenlijk aspect van literatuur voorbij: een boek is als een kamer die op zijn minst één deur moet tellen waardoor je naar binnen kunt. Deze boeken zijn volstrekt gesloten burchten, soms fascinerend als taalbouwsel, maar de lezer wordt niet toegelaten.

Marcel van Maele: Scherpschuttersfeest. Houtekiet, 115 blz. €15,– Gust Gils: Berichten om bestwil. Houtekiet, 141 blz. €15,– Gils noch Van Maele scheppen herkenbare situaties of tastbare figuren