Donnamania!

`De verborgen geschiedenis' van Donna Tartt veroorzaakte de huidige bestsellercultuur in Nederland. Na 1993 ging iedere uitgever op zoek naar debutantes die mooi, mysterieus en `marketable' waren.

In de herfst van 1992 belandde op de burelen van NRC Handelsblad een grote, dikke paperback. Hoewel het boek er `af' uitzag – inclusief een stemmige kaft met een negentiende-eeuwse grijs-zwarte foto – bleek het de drukproef van een nieuwe Amerikaanse roman; een waarvan uitgever Alfred A. Knopf kennelijk veel verwachtte. The Secret History luidde de titel, en de auteur was een jonge debutante met een naam die klonk als een klok; of liever als het pseudoniem van een ondeugende filmster uit de jaren dertig: Donna Tartt. Omdat The Secret History volgens het begeleidende persbericht over de klassiek-Griekse cultuur ging, en ik behalve Amerikaanse literatuur ook boeken over de Oudheid recenseerde, kreeg ik het boek mee naar huis – vergezeld van het advies om er eens goed naar te kijken. Immers, in de Verenigde Staten scheen er veel om te doen te zijn.

Dat laatste bleek een understatement. Nog voor ik ertoe kwam om de eerste van de 524 bladzijden te lezen, stuitte ik in de kiosken op het septembernummer van Vanity Fair, waarin een enthousiaste verslaggever uitweidde over de nieuwste sensatie in de Amerikaanse literatuur. Uit het zes pagina's tellende profiel rees Donna Tartt op als een beeldschone en erudiete Zuiderling, die op basis van een briljante roman het hoogste voorschot ooit voor een debuut had binnengesleept. Overigens was het woord `oprijzen' in dit verband ongelukkig, aangezien de `Lolita uit Mississippi' niet langer dan 1 meter 50 was.

Geld, glamour en oude Grieken – het kon niet mooier. In de tweede week van oktober las ik The Secret History; aanvankelijk langzaam en genietend van de elegante, aan Scott Fitzgerald herinnerende stijl, daarna steeds sneller omdat het verhaal razend spannend was. De plot was eigenlijk te gek voor woorden – een groepje studenten laat zich bedwelmen door de Griekse cultuur, met moorddadige gevolgen – maar Tartts debuut bleek een zeldzaamheid: een boek dat tot nadenken stemde en zich bovendien liet lezen als een thriller.

Dat laatste schreef ik dan ook in mijn recensie, die uiteindelijk op 30 oktober in het literair supplement verscheen. Beginnend met een uiteenzetting over het Oost-Westthema in de Amerikaanse literatuur probeerde ik duidelijk te maken waarom The Secret History zo'n rijk en indrukwekkend boek was. Het zat hem in de tragische hoofdpersoon, een Californische middenklassejongen die koste wat het kost geaccepteerd wil worden door de elite op zijn college in New England. Maar ook in de melancholieke uitwerking van het aloude Amerikaanse thema van de verloren onschuld, en in de Dostojevski-achtige benadering van het thema misdaad en straf. Bovendien liet The Secret History zich lezen als de prozaversie van een klassieke tragedie, geregeerd door de eenheden van plaats, tijd en handeling, en compleet met hoogmoedige personages en een onontkoombaar noodlot.

fotogeniek

De eindredactie van CS Literair aarzelde niet en zette het stuk op de voorpagina, versierd met twee aandachttrekkende foto's: een kleurrijk herfstlandschap in Vermont en een intrigerend zwart-witportret van Donna Tartt. De fotogenieke schrijfster stond met de armen over elkaar tussen de grafstenen van een oud kerkhof en blikte monalisa-achtig in de camera, met ogen waarvan de groene felheid zelfs in zwart-wit overkwam. Op de achtergrond zag je een veldje met sneeuw en dunne naaldbomen. Het leek wel een still uit de televisieserie Twin Peaks, die in de jaren daarvoor furore had gemaakt met een cocktail van geheimzinnige gebeurtenissen, besneeuwde Douglassparren en ijzigmooie meisjes.

De bespreking van The Secret History verscheen op een vrijdagmiddag, onder de kop Hoogmoed in Vermont. In de weken erna kochten duizenden krantenlezers de Amerikaanse of Engelse editie van de `overweldigende debuutroman'. Ik zou natuurlijk graag geloven dat het mijn enthousiasme was dat de Donnamania in gang zette. Maar belangrijker was ongetwijfeld de spectaculaire inzet van de roman (Dostojevski meets Euripides en Fitzgerald) en de sex appeal van de jonge schrijfster. En dan was er nóg iets dat het succes van The Secret History bepaalde. Een half jaar eerder, op 3 mei 1992, was de laatste aflevering van de televisietalkshow Hier is... Adriaan van Dis. De schrijversgesprekken van Van Dis hadden vaak garant gestaan voor hoge verkoopcijfers, en na het stopzetten van het programma werden de uitgeverijen voor het lanceren van nieuwe romans weer teruggeworpen op de kranten. Voor een korte periode, totdat Hanneke Groenteman met De Plantage begon, waren de literaire krantenbijlages weer even het brandpunt van de boekenmarkt.

Het succesverhaal van The Secret History werd intussen vervolgd. Begin maart 1993 kwam de Nederlandse vertaling uit, onder de titel De verborgen geschiedenis. De uitgever had een openbaar interview met de schrijfster in een Amsterdams theater georganiseerd – nadat hij Tartt eerst naar het Boekenbal had gestuurd, waar ze bij ontstentenis van de schrijver van het boekenweekgeschenk, Willem Frederik Hermans, de show had gestolen. De stampvolle zondagse bijeenkomst in de Kleine Komedie toonde Tartt als een geestig, enigszins excentriek meisje dat de zaal inpakte en blijmoedig stapels boeken signeerde. `Een mediawonder' noemde Vrij Nederland haar; een `Nieuwe Grootheid' oordeelde HP/De Tijd. Nederland leek collectief verliefd.

Aan het eind van het jaar waren er meer dan honderdvijftigduizend Tartts in vertaling verkocht. En de bestseller bleek een everseller. Tien jaar later, bij de verschijning van de tweede roman van Tartt (die overigens als wereldprimeur eerst in Nederland verscheen), stelde de uitgever dat er van De verborgen geschiedenis bijna achthonderdduizend exemplaren waren verkocht. Sommige onderzoeksjournalisten twijfelden aan dit totaal, maar twee dingen waren zeker: Tartts debuut was – na Erik, of het klein insectenboek van Godfried Bomans – de op één na best verkochte literaire roman uit de Nederlandse geschiedenis; en het was relatief gesproken veel succesrijker in Nederland dan in Amerika of in de rest van Europa.

De verbluffende lancering van De verborgen geschiedenis, gekoppeld aan de komeetachtige verschijning van Donna Tartt, brak alle records. Achteraf, en bijna twaalf jaar later, kun je zeggen dat de Nederlandse boekenwereld er drastisch door van aanzien veranderde. In 1991 had een debutante uit Sint-Odiliënberg, Connie Palmen, al laten zien dat je met een origineel boek en een flinke dosis mediageniekheid torenhoge verkoopcijfers kon behalen. Maar de populariteit van Tartt was van een andere orde. Het was dan ook geen wonder dat uitgevers in de jaren na 1993 naarstig op zoek gingen naar de `nieuwe Donna Tartt', dat wil zeggen naar een debutante die mooi, mysterieus en marketable was.

Meer dan ooit tevoren werd in de jaren negentig de uitstraling van de auteur een halszaak bij het `in de markt zetten' van een roman. En sommige goedverkopende schrijvers gingen zich daarnaar gedragen: ze verwachtten van hun uitgevers een behandeling die even glamoureus was als zij zichzelf voelden. Het dieptepunt van die ontwikkeling werd eind vorig jaar bereikt, toen A.F.Th. voorheen van der Heijden zich in de pers beklaagde over het feit dat er bij zijn vijfentwintigjarig schrijversjubileum niet breed genoeg was geadverteerd door zijn uitgeverij. NRC Handelsblad, dat naar aanleiding van `de affaire A.F.Th.' een artikel over dit soort uitwassen in de uitgeverswereld publiceerde, sprak honend over `de opkomst van de celebrity-auteur'.

1 april

Dat glamour in het midden van de jaren negentig uitgroeide tot het belangrijkste literaire verkoopinstrument, leert de geschiedenis van een paginagrote bespreking die een jaar na het hoogtepunt van de Donnamania in NRC Handelsblad verscheen. Omdat 1 april in het jaar 1994 op een vrijdag zou vallen – iets dat sinds 1988 niet meer was gebeurd (en wegens schrikkeljaren sindsdien niet meer is voorgekomen), was het idee gerezen om het literaire katern te openen met een enthousiasmerende recensie van een niet-bestaand boek. Ik verzon een jonge, New-Yorkse debutante die, `in de (nachtelijke) uren die overschoten na haar werk als actrice bij het Greenwich Village Theater' een zeshonderd pagina's tellende roman had geschreven. Het boek, waarvan al honderdduizend exemplaren zouden zijn verkocht, was in Amerika beroemd geworden door een groot artikel in Vanity Fair en een optreden van de schrijfster in de talkshow van David Letterman. De titel van de roman was Slings and Arrows, een verwijzing naar de beroemde `bestaan of niet bestaan'-monoloog van Hamlet; als naam voor de schrijfster koos ik Hester Prynne, niet alleen lekker bekkend (kort-kort-lang, net als `Donna Tartt') maar ook de heldin uit een van mijn favoriete Amerikaanse romans: The Scarlet Letter van Nathaniel Hawthorne.

Ook het artikel was een pastiche van het stuk dat ik anderhalf jaar eerder over Donna Tartt had geschreven. Het begon met een algemene inleiding over de Amerikaanse literatuur en vloeide daarna over in een beschrijving van de `overweldigende debuutroman' van Hester Prynne, bijgenaamd `the Stendhal of the Lower East Side': ,,het verhaal van een jonge advocaat die onschuldig in de gevangenis terecht komt en vijftien jaar later wraak neemt op de twee mannen die hem in de val hebben gelokt.'' Vanzelfsprekend werd geen superlatief geschuwd. Slings and Arrows was geschreven in proza met een grote beeldende kracht, het had een spannende intrige die nergens in kitsch verkeerde, het toonde de invloed van het klassieke drama, en het was een roman waarin de grote thema's uit de Amerikaanse literaire traditie opnieuw werden vormgegeven. Kortom, ,,Prynne schreef een zeldzaamheid: een studie naar de dunne lijnen tussen goed en kwaad die zich laat lezen als een avonturenroman.''

De Prynne-poets verscheen onder de kop Onschuld in New Orleans, wraakzucht in New York. Om de recensie overtuigend te maken had ik er mooie citaten uit het besproken meesterwerk doorheengeweven. Die kwamen allemaal uit Grote Amerikaanse Romans, zoals The Great Gatsby, Moby-Dick en The Grapes of Wrath. Nog meer body kreeg het stuk door de illustraties die er bij stonden: drie kleurenfoto's van de locaties waar Slings and Arrows zich afspeelde, en daarnaast een portret ten voeten uit van de schrijfster – zogenaamd gefotografeerd in een van haar toneelrollen, in werkelijkheid een fotomodel waarover een verkleedkist was uitgestort.

Het was over the top, maar zoals al snel bleek niet over-de-top genoeg. Misschien kwam het door de barrage aan superlatieven, misschien door de aansprekende plot (die gestolen was van Dumas' Graaf van Monte-Cristo), misschien door de ravissante verschijning van `Hester Prynne'; feit is dat de Nederlandse boekhandels vanaf de late middag van die Goede Vrijdag overstroomd werden met mensen die vroegen naar `de noodlotstragedie van de voorkant van de NRC'. Uitgevers belden naar hun Amerikaanse scouts met de vraag waarom ze deze droomdebutante gemist hadden; importeurs kregen tientallen faxen met bestellingen, en de redactie van NRC Handelsblad werd na het Paasweekend overstelpt met vragen en (soms woedende) reacties. Eén meneer zegde zijn abonnement op met de woorden: ,,Uw zouteloze, van humor gespeende 1-aprilgrap is kennelijk bedoeld voor de happy few. Wel, ik hoop dat U daaraan voldoende abonnementen kunt slijten.''

Terug naar Tartt en háár succesverhaal. De verborgen geschiedenis is het symbool geworden van het boek waarnaar iedere uitgever op zoek is, of liever van het succes dat iedere uitgeverij nodig heeft om in de jaren negentig (en de jaren nul) te overleven. Was het voorheen zo dat de uitgevers hun strategieën baseerden op de zogeheten tachtig-twintigregel (tachtig procent van je omzet komt van twintig procent van de gepubliceerde boeken), tegenwoordig gaan ze uit van negentig-tien. In de bedrijfsvoering is de rol van bestsellers, die telkens weer in een nieuwe uitgave (gebonden, midprice, pocket) worden weggezet, oneindig veel groter geworden, en het succes van De verborgen geschiedenis geeft aan naar welk maximum gestreefd kan worden. Het is niet overdreven om te zeggen dat de bestsellercultuur, die volgens cultuurpessimisten de bijl aan de wortel van de literatuur is, voor een belangrijk deel is veroorzaakt door de kleine debutante uit het diepe zuiden.

Ook meer inhoudelijk heeft Donna Tartt haar sporen nagelaten in de uitgeverswereld. Hoewel er altijd spannende boeken zijn geweest die de grens tussen high en low literature deden vervagen – denk aan het werk van Chandler, Simenon, Dürrenmatt, Highsmith en Rendell – was het De verborgen geschiedenis dat de weg plaveide voor het succes van de `literaire midsdaadroman'. Het intelligent geschreven spannende boek bleek een gat in de markt, en literaire uitgevers verloren hun terughoudendheid bij het aankopen van titels die tot dan toe eigenlijk voorbehouden waren aan spannende-boekenuitgeverijen als A.W. Bruna en Luitingh-Sijthoff. Symbolisch voor deze ontwikkeling is de heruitgave, in 2003, van een aantal romans van Georges Simenon (in iedere oude boekenkast te vinden als Bruna-pockets) in de prestigieuze klassieken-reeks De Twintigste Eeuw van uitgeverij Atlas.

De succesrijkste navolger van Donna Tartt was Nicci French, een Engels schrijversduo dat in 1996 debuteerde met The Memory Game en sindsdien van zijn jaarlijks in juni uitkomende thinking woman's thrillers vele honderdduizenden exemplaren verkocht. In de top 100 van best verkochte boeken over 2003, die de Stichting CPNB februari jongstleden publiceerde, bezetten Nicci Gerrard en Sean French de plaatsen 2, 4, 10, 47, 49, 62 en 84. Pikant detail: de voorkanten van de French-boeken – in twee kleuren afgedrukte vage foto's van grafmonumenten – zijn qua beeld nauw verwant met het omslag van De verborgen geschiedenis. Dit soort sfeerbeelden doet het kennelijk goed op de voorkant van literaire misdaadromans.

Grafsteentjes

Een decennium na Donna Tartt is dus niet alleen het aanzien van het Nederlandse uitgeverslandschap getransformeerd, maar ook, heel letterlijk, dat van de boekhandel. Wie nu in juni, de `Maand van het Spannende Boek', langs de tafels met de nieuwe uitgaven loopt, waant zich met enige fantasie op een negentiende-eeuws kerkhof met kleine grafsteentjes. En er is nóg iets veranderd: de mate waarin een bespreking in de krant de verkoop van een roman kan stimuleren. Lezers halen hun informatie over nieuwe boeken uit andere kanalen: de televisie (Barend & Van Dorp), de radio (Martin Ros in de Tros Nieuwsshow), de boekhandel (waar de gespecialiseerde handelaar zijn klanten persoonlijk adviseert), en niet te vergeten de leesclub. Een boek kan spraakmakend worden voordat er een letter in de krant aan is gewijd, Marianne Fredrikssons Anna, Hanna en Johanna is daar een goed voorbeeld van. Maar de beste garantie voor succes is toch de naams- (lees televisie-)bekendheid van de auteur. In dat licht is het niet onbegrijpelijk dat Joost Zwagerman zich heeft opgeworpen als gastheer van het televisieprogramma Zomergasten, of dat Ronald Giphart zich het afgelopen jaar ontpopte als presentator van een humoristische talkshow.

Literatuur is een product dat verkocht moet worden, en daarbij worden in toenemende mate verkoopstrategieën gebruikt die twee decennia geleden als oneigenlijk of onchic werden beschouwd. Eind jaren negentig baarde het nog opzien dat de teruggetrokken schrijfster Chaja Polak door haar uitgever werd overgehaald om op de Frankfurter Buchmesse over een catwalk te paraderen, nu trekt niemand meer een wenkbrauw op als Arnon Grunberg ter promotie van zijn nieuwe boek op een boot met een geit de Nederlandse binnenwateren afvaart. En intussen is de rol van de dagbladrecensent dezelfde gebleven: hij leest boeken en beoordeelt ze op hun literaire kwaliteit, bij voorkeur zonder zich iets gelegen te laten liggen aan het uiterlijk of het levensverhaal van de auteur. Zijn invloed op de boekentop-100 is tanende – wat misschien weinig strelend is voor zijn ijdelheid, maar verder niets uitmaakt. De criticus is nu eenmaal niet het verlengstuk van de verkoopmachine.

Dit is een bekorte versie van een lezing die gisteravond werd gehouden in de serie `Spraakmakende boeken' aan de Rijksuniversiteit van Groningen.

Geld, glamour en oude Grieken – het kon niet mooier

Literatuur is een product dat verkocht moet worden