De wonderwerken van een pantoffelheld

`Hoe sukkels zich redden uit benarde situaties, situaties die de sukkels zelf hebben veroorzaakt en nog eens extra verpest, daarover gaat ieder verhaal.' Aldus een alwetende verteller aan het eind van Hercules, de nieuwe (vijfde) roman van de bijna 60-jarige Gerrit Komrij. De sukkel in Hercules heet Tim, maar hij noemt zich naar de Griekse halfgod, want hij is een held in het diepst van zijn gedachten. `Ik wil iemand zijn die in kranten en glimmende tijdschriften wordt afgebeeld,' zegt hij tegen zichzelf; `er huist een alleskunner in mij.' En dus besluit hij om net als zijn antieke voorbeeld twaalf schijnbaar onmogelijke werken te verrichten: `Ik moet worden wie de anderen willen dat ik ben.'

Maar wat voor wonderwerken kunnen we verwachten van een pantoffelheld? Een man die naar eigen zeggen de draad van zijn leven kwijt is, en die als de gefrustreerde echtgenoot uit Elsschots gedicht `Het huwelijk' al zó lang bewegingsloos bij het vuur zit dat zijn voeten door schimmel overwoekerd zijn? Tussen droom en daad is voor hem geen verschil, en dus kunnen we op grond van zijn verhaal niet bepalen of hij werkelijk zijn vrouw vermoordt, een everzwijn neerschiet, een grootstad uitmest, of de hellehond uit de onderwereld haalt. Wat we wel te weten komen is dat hij tijdens een safari geen leeuw maar een vogeltje doodt; dat hij het gevecht met de Roofvogels van de Roddel uit de weg gaat (`mijn naam is struisvogel'); en dat zijn literaire meesterwerk (`de som van alle boeken') niet eens aangekondigd wordt in de pas-verschenenrubriek van het boekenbijvoegsel.

Maar ach, `het gaat erom onze mislukkingen te presenteren als overwinningen' – en daar is Tim een meester in. Hij is geen Stach, die in De koning van Katoren (Jan Terlouw, 1973) de moderne Herakles uithangt; hij is het prototype van de antiheld, en daarvan is hij zich bewust. `Tim weet ook wel dat hij gevaarlijk ver van het oude verhaal is afgedwaald. Wat betekenen oude verhalen en wat betekent het als oude verhalen niets betekenen? Louter door hun bestaan sturen ze me, denkt Tim, ik kom splinters en scherven van hun aanwezigheid tegen, ze sturen me, ik stuiter, ik ricocheer en alleen al doordat ze er zijn, de oude verhalen, kom ik ergens terecht.'

En zo ziet hij zelf de bedreigingen van de boze buitenwereld als de zeven koppen van de Hydra; terwijl hij zijn ontdekking van het bedrog in de godsdienst beschrijft als het roven van de appels van de Hesperiden.

Ook Gerrit Komrij weet dat hij weinig heel laat van de klassieke Herakles-mythe. Niet alleen doordat hij de Twaalf Werken in moderne, gedevalueerde vorm ten tonele voert, of doordat hij ze – met een lange neus naar duizenden jaren cultuurgeschiedenis – in verband brengt met de twaalf tekens van de Dierenriem. Maar ook omdat hij ze op het procrustesbed van zijn eigen obsessies legt. Verheerlijkten de oude Grieken de heldendaden van Herakles als overwinningen op het kwaad en de dood, bij Komrij zijn ze symbolen geworden van het almaar voortschrijdende verval, het bederf van de jeugd, de vergeefsheid van de kunst, de vijandigheid van de burgerwereld – kortom, van alle thema's die de romanticus uit Winterswijk in de loop der jaren heeft uitgewerkt in zijn essays, zijn romans en bovenal zijn poëzie.

Hercules, dat op de binnenflap wordt aangeduid als een allegorie, is verdeeld in veertien hoofdstukken, waarvan de middelste twaalf worden aangeduid met een symbool uit de Dierenriem. In tien van de twaalf wordt duidelijk een van de werken van Herakles behandeld (alleen het vangen van de hinde van Artemis en het roven van de runderen van Geryon heb ik niet direct kunnen terugvinden). In alle twaalf komt een ander aspect van het (moderne) leven aan de orde, van de reisbranche en de televisiewereld tot seks en religie. En allemaal verbergen ze op een subtiele manier het sterrenbeeld dat het hoofdstuk regeert. Zo wordt in 5 (Boogschutter) het everzwijn geschoten met pijl en boog, en speelt Komrij in 9 (Tweeling) met het motief van de dubbelganger dat we kennen uit zijn poëzie en de roman Dubbelster (1993).

De constructie van Hercules doet denken aan Ulysses van James Joyce; het is vast niet toevallig dat het boek genoemd is naar de Latijnse naam van Herakles. Komrij brengt een hommage aan Joyce, die iedere episode van zijn moderne Odyssee ophing aan een bepaald symbool, een kunstvorm, een kleur en zelfs een orgaan. Alleen in één ding volgde hij de meester niet: hij schreef niet elk hoofdstuk in een andere stijl, hoewel hij daar gezien de stilistische verschillen tussen bijvoorbeeld Dubbelster (allegro con brio) en het veertien jaar oude Over de bergen (andante antiquato) wel toe in staat moet worden geacht. Het proza van Hercules – licht-gedragen, ironisch en zintuiglijk – herinnert nog het meeste aan Komrij's autobiografische roman Verwoest Arcadië (1980), die dezer dagen in een gebonden feesteditie door De Bezige Bij wordt uitgegeven.

Misschien lees ik wel te veel in Hercules; Komrij laat zijn roman niet voor niets voorafgaan door het beroemde motto van Mark Twains Huckleberry Finn: `Persons attempting to find a motive in this narrative will be prosecuted; persons attempting to find a moral in it will be banished; persons attempting to find a plot in it will be shot.' Maar ik vraag me af hoeveel plezier je aan Hercules beleeft als je die waarschuwing ter harte neemt. De roman is weliswaar goed geschreven en doorspekt met scherpe aforismen, maar ook een beetje saai. Tim is een lege huls en zijn `avonturen' zijn behoorlijk abstract, om niet te zeggen moeilijk te doorgronden. Daarbij zijn de satirische en zelfspottende passages niet grappig of cynisch genoeg om het verhaal voort te stuwen.

Dit soort kritiek laat Komrij waarschijnlijk Siberisch. Het is l'art pour l'art en de Duivel hale de lezer die haakt naar een pakkend verhaal. Of zoals Tim in het hoofdstuk over de boekenwereld denkt: `In boeken waren een regie en structuur aanwezig die hij in de wereld niet aantrof, en daarom waren de helden in boeken onsterfelijk, terwijl die van vlees en bloed in vlammen opgingen of op deerniswekkende wijze krepeerden.' Tim, maar ook zijn schepper, lijkt te vergeten dat er ook nog zoiets bestaat als een romanheld van vlees en bloed. Die zul je in Hercules dus niet vinden. Het is het spel dat telt, de stilistische brille, en een ieder die in dit verhaal verdere opwinding probeert te vinden, kan de kogel krijgen.

Gerrit Komrij: Hercules. De Bezige Bij, 144 blz. €16,50 (geb.)