Dauwdruppel uit Holland

In 1685 klaagde de Engelsman William Aglionby erover dat zijn land, als enige onder de beschaafde naties, de belangstelling voor kunstenaars miste. En dat terwijl de Nederlanders te midden van hun moerassen en smerige dampen hun huizen vol schilderijen hadden hangen. De Engelsen denken dat schilders alleen maar gewone dagloners of timmerlieden zijn, zo ging hij voort. Kunst is in onze ogen niets anders dan het kladderen van een paar kleuren op een doek.

De man had ten dele gelijk. De schilderijenproductie in Nederland was reusachtig en iedereen had schilderijen in huis, rijk en arm. Met de belangstelling voor schilderkunst in Engeland viel het echter wel mee, zo blijkt uit de bijdragen in Dutch and Flemish Artists in Britain, het dertiende Leids Kunsthistorisch Jaarboek.

Na een inleiding over de Nederlandse en Vlaamse kunstenaars in Engeland volgt in deze uitgave een reeks van veertien interessante bijdragen over individuele schilders, prentmakers, architecten, tuinontwerpers, meubelmakers, kunsthandelaren en mecenassen. Er blijkt een intensief artistiek verkeer te zijn geweest, wat niet zo verwonderlijk is. Kunst werd uit de Nederlanden in alle richtingen geëxporteerd: naar Scandinavië, naar Duitse staten, naar Frankrijk, naar Italië en ook naar Engeland en vele kunstenaars zochten een lucratieve toekomst in het buitenland. De wereld lag open, de artistieke globalisering was een volstrekt normaal verschijnsel.

Engeland was aantrekkelijk omdat er eigenlijk geen goede schildersschool was ontstaan, maar er wel kapitaalkrachtige opdrachtgevers leefden, vooral aan het hof. Aan het begin van de zeventiende eeuw schitterde daar Anthonie van Dijck. Ook de lagere adel en de gegoede burgerij kocht Nederlandse kunst en keer op keer blijkt hoe ze die bewonderden. Enkele politieke ontwikkelingen droegen bij aan de grote waardering voor de Nederlandse en Vlaamse kunst. Na de Burgeroorlog in Engeland en de onthoofding van Karel I ontvluchtten veel royalisten het land om zich in Nederland te vestigen. Toen ze terugkeerden bleef hun bewondering voor de kunstwereld daar bestaan. In en na het Rampjaar 1672 ontvluchtten weer Nederlandse handwerkslieden, onder wie veel schilders, het land, vooral uit economische redenen. Velen vonden aan de overkant van de Noordzee emplooi. En toen de Nederlandse stadhouder Willem III koning van Engeland was geworden ging ook daar een grote aanzuigende werking van uit.

De schrijver van Robinson Crusoe, Daniel Defoe, zou over de grote waardering voor de schilderkunst schrijven dat `the love of fine paintings' onder de adel en mensen van aanzien zo algemeen was geworden dat er ongelofelijk veel verzamelingen werden aangelegd. En de beroemde dagboekschrijver Samuel Pepys raakte niet uitgeschreven over een bloemstilleven van Simon Verelst waarop dauwdruppels zijn weergegeven. Keer op keer moest hij er met zijn vingers langs strijken om verbluft te constateren dat het niets anders was dan gewone verf.

Juliette Roding e.a. (red.): Dutch and Flemish Artists in Britain 1550-1850. Primavera Pers, 318 blz. €36,–