Babsie wil best beuken

Azijnpissers die naar aanleiding van Pfeijffers debuutroman Rupert - een bekentenis (2002) over plagiaat begonnen te zeuren omdat de schrijver een postmodern spelletje met de literatuur had gespeeld en zijn verhaal over een van verkrachting verdachte voyeur vol met verwijzingen naar andere teksten had gestopt, kunnen hun rode potloden slijpen. Ze hebben weer heel wat aan te strepen.

`Overal zanikt bagger', zegt in Pfeijffers tweede roman, Het grote baggerboek, een professor die in een soort Pieter Baancentrum een meervoudige moordenaar in observatie heeft. Een droogstoppelige psychiater die Lucebert citeert? Dat is toch ongeloofwaardig? En is het niet ongepast dat Ilja Pfeijffer hem deze dichtregel, die in drie woorden Nederland in het laatste kwart van de twintigste eeuw samenvat, zonder bronvermelding in de mond legt?

Nee. Dit is Pfeijffers werkwijze. Het is een verwijzing die houvast biedt. Het grote baggerboek is op verzoek van de psychiater geschreven door de geobserveerde, een monomane man die baggeraar van beroep is. Als kind is hij dermate gemaltraiteerd dat hij zich het verleden niet wenst te herinneren. Hij leeft in het hier en nu en weigert aan de wens van de psychiater te voldoen om zijn eigen shit op te baggeren. Wel is hij bereid zijn belevenissen als baggeraar in de wateren van Vietnam en enkele Arabische landen op schrift te stellen, compleet met het gore groepsgedrag van `de jongens onder elkaar', technische gegevens over het baggerwezen en uit de hand lopend hoerenbezoek.

Ranzig

Luceberts gedicht `uit het heerlijkste hout blaft het land' begint zo: overal zanikt bagger/ zwachtelend rond de reuzenlaarzen/ waarin ik mijn tijd beklim haast verzadigd ja/ maar het is nog steeds de mij bemestende tijd/ mijn voertuig vore en trog. Het is maar één van de talloze teksten waarop in deze roman wordt gealludeerd.

De `observant', zoals de vertellende ikfiguur door de psychiater wordt aangeduid, blijkt over een verbluffend literair talent en een overweldigende taalvirtuositeit te beschikken. Hij is een woordkunstenaar bij wie Lodewijk van Deyssel in de bagger zinkt. De meeste verwijzingen, naar Homerus, de bijbel, Joyce, Melville , Elsschot, Jan de Hartog, Reve, Hermans of zelfs `hertalingen' van allerlei literaire teksten komen we tegen in de met bloed en sperma geschreven ontboezemingen van de baggeraar. Zij vormen het hoofdbestanddeel van deze waanzinnige roman, verteld in een kunsttaal die het midden houdt tussen plat Deelderiaans Rotterdams en nog platter Haags. De baggeraar komt dan ook uit Den Haag, terwijl de baggermaatschappij waarvoor hij werkt in Rotterdam is gevestigd.

Pfeijffer hertaalt de grote dichters in het vocabulaire van Deelder en Haagse Harry, maar dan beter dan deze twee: `Ranzende hoeren met gele kamelenpuskutten en met een harige aars vol ruftende reuzel, krijg nou de tiethoest en schurft aan je schompes met zweren', enz. enz. Ook eigentijdse politieke leuzen zoals de slogan van wijlen Pim Fortuyn komen we in een poëtische hertaling van Pfeijffer tegen: `Ik doe wat ik denk dat ik zeg.'

De eerste ranzige hoofdstukken van Het grote baggerboek zijn moeilijk leesbaar, niet eens vanwege die ranzigheid, maar omdat het dialect van de verteller propvol flauwe en minder flauwe woordspelingen en verhaspelingen – geen verhaal lijkt te bevatten. Maar Pfeijffer wil gelukkig meer dan de lezers van zijn romans opschepen met een never ending prozagedicht. In een interview naar aanleiding van Rupert zei hij: `Een romanschrijver moet het fatsoen hebben een verhaal te vertellen, in welke vorm dan ook. Je moet de lezer meeslepen, hem de mogelijkheid geven tot identificatie.' Daar slaagt hij uiteindelijk op even grootse wijze in als Marek van der Jagt in diens vergelijkbare, verwante roman Gstaad 95-98 over de aandoenlijke moordenaar van een meisje.

Pfeijffer brengt lijn in Het grote baggerboek door de briljant geschreven belijdenissen en verhandelingen van de baggeraar af te wisselen met de observaties van de zelfingenomen, egotrippende schurk van een psychiater. De psychiater brengt op zijn eigen knullige manier (hij is een kruising tussen Multatuli's Droogstoppel en Pennewip) structuur in de gegevens uit het pak van Sjaalman dat de observant hem in de vorm van Het grote baggerboek levert. Langzaam wordt duidelijk aan welke misdaden de baggeraar niet, maar vooral aan welke hij wél schuldig is en wat hem zoal bewogen heeft.

Voor de psychiater is de baggeraar een `observant'. Maar wie observeert wie? En is een observant volgens Van Dale niet een kloosterling die zich aan de strenge regels van een gesloten mannengemeenschap conformeert?

De hoofdpersoon van Het grote baggerboek moet zich verdedigen tegen een aanklacht van verkrachting, precies als Rupert in Pfeijffers debuut zich moest verweren tegen de beschuldiging een vrouw te hebben verkracht. Ditmaal zou het negenjarige Arabiertje Abdullah het slachtoffer zijn. Als lezer kom je er al snel achter dat de aanklacht van verkrachting nergens op slaat, maar de opportunistische psychiater, die selectief leest en zijn vak niet verstaat, wenst daar zo lang mogelijk anders over te denken.

Daar komt nog bij dat de professor – opgezweept door het vunzige proza van zijn `observant' – verliefd wordt op diens echtgenote Babette. Deze `Babsie' is bereid om in het belang van haar `beukende baggerbeer' haar volledige (seksuele) medewerking aan het onderzoek van de psychiater te geven. Maar `Babserdeflaps' is niet zo dom als de psychiater denkt en zorgt eigenhandig voor diens ontmaskering.

Woorddronken

Tegen die tijd zijn we er al achter dat alles wat de psychiater-oplichter aan valse aanklachten verzonnen heeft teneinde zijn observant (en diens echtgenote) vast te kunnen houden, waarschijnlijk een grond van waarheid heeft, behalve die ene aanklacht: verkrachting van het Arabiertje. De ogenschijnlijk goddeloze baggeraar is namelijk een god in het diepst van zijn gedachten. Het jongetje Abdullah beschouwt hij als zijn zoon. Hij, de vader, zal hem ooit op water laten lopen en hem thuis brengen. Amen.

Veel thema's uit Rupert, soms in vrijwel letterlijke citaten daaruit, keren terug in Het grote baggerboek, bijvoorbeeld dat iets pas `echt' bestaat als er een film van is gemaakt. Niettemin lijkt Het grote baggerboek geen deel uit te maken van Pfeijffers `Steppoli-tetralogie', waarvan Rupert – Een bekentenis het eerste, en de gelijktijdig gepubliceerde dichtbundel Dolores – Elegieën het vierde deel vormde. Wat deze beide delen verbond, was dat ze zich afspeelden in de fictieve stad Steppoli, een naam die we in Het grote baggerboek niet tegenkomen – al kan het natuurlijk altijd nog dat de observatiekliniek waarin deze roman geschreven werd in die stad gevestigd blijkt te zijn. Of is het een parodie op A.F.Th. die in grote cycli de tijd wil bedwingen?

Een sleutelwoord in de roman van Pfeijffer is het begrip loyaliteit – of zoals ze dat op de baggerbak noemen `loyale tijd'. Alle personages in het boek hechten in den beginne aan loyaliteit, maar plegen verraad of worden verraden. Behalve het Arabiertje Abduhllah, die het mooiste dat er bestaat in de brute baggeraar wakker roept: onvoorwaardelijke trouw.

Het grote baggerboek is een woorddronken meesterwerkje, ook voor lezers die lak hebben aan intertekstualiteit of andere postmoderne Spielerei. Een humoristische psychologische roman bovendien, die volgens het omslag in het `vakblad De Baggerbode' al terecht is aangeprezen als `ontroerend en leerzaam'.

Ilja Leonard Pfeijffer: Het grote baggerboek. De Arbeiderspers, 211 blz. €17,95