Alles is zelfportret

Jim Dine maakte naam in de `pop art'-jaren en bleef zichzelf opnieuw uitvinden. Washington eert hem met een tentoonstelling van zijn tekenwerk.

New York 1970. Andy Warhols `Factory' was meer een centraal station dan een kunstenaarsatelier. Precieus vormgegeven individuen haastten zich door de immense ruimte en spraken vluchtig. Tegen sommige wanden hingen of stonden de ook toen al wereldberoemde schilderijen van Marilyn Monroe en Campbell-soepblikken. Rommel op de grond had een onbepaalde status tussen kunst en huishoudelijk afval.

Warhol, amper hersteld van een moordaanslag door het enige lid van SCUM (the Society for Cutting Up Men), reed met zuurtjesroze en neongroen piekhaar op rolschaatsen van de ene naar de andere bezoeker. De kunstenaar maakte aan de lopende band Polaroid-foto's en kirde tevreden als zijn toestel weer een plakkerig plaatje baarde.

Deze New Yorkse kunstwereld bevond zich al in de fase van uitrijden – herhaling en exploitatie van eerder artistiek, sociaal en financieel succes. Jim Dine was er niet meer bij. In de tweede helft van de jaren zestig vluchtte hij weg uit New York, naar Engeland, later naar Vermont, de bergachtige staat in het noordoosten van de Verenigde Staten. Toen Dine in 1985 terugkeerde naar New York had hij inmiddels wortels in de staat Washington en op verschillende plaatsen in West-Europa.

Jim Dine zorgde als 28-jarige jonge kunstenaar uit Cincinnati mét Alan Kaprow, Claes Oldenburg en Robert Whitman voor de korte, heftige bloei van de Happening. Hij noemde het `schilders-theater' om afstand te houden tot de over-verstandelijke benadering van Kaprow. Dine werd nog bekender als lid van een aparte maar verwante groep, de pop art, waarin behalve Warhol kunstenaars als Robert Rauschenberg, Roy Lichtenstein en Jaspar Johns wereldnaam maakten.

Het was zijn wereld niet, vertelt de inmiddels 68-jarige Jim Dine kort voor de opening van een tentoonstelling van zijn tekenwerk in de National Gallery of Art in Washington. ,,Ik groeide op in een tijd waarin pop art de klok sloeg en had nauwe banden met die mensen, maar wat ik deed is wat ik nog steeds doe: ik schilder over mijzelf, ik teken over mijzelf, ik fotografeer over mijzelf. Mijn onderwerp is mijn binnenwereld. Niet omdat ik zo dol op mezelf ben of zo mateloos boeiend ben, maar dát is wat ik heb. Dat breng ik mee naarmate ik ouder word.''

Het lijkt een verrassende uitspraak van een kunstenaar die zichzelf zijn hele werkende leven heeft geschilderd zonder hoofd, in de vorm van een lege badjas. Zelfportretten mét gezicht heeft hij alleen maar getekend. Pas na enig aandringen laat hij zich ontvallen waarom: ,,Ik denk omdat ik niet zo goed schilder als ik teken. Bij tekenen kan je blijven werken; bij schilderen moet je steeds wachten tot er weer een laag droog is. Dan ben ik vaak het idee al weer kwijt.''

Stilte

Concentratie, het vangen van het moment. Gebruik maken van die paar gezegende ogenblikken. De behoefte aan stilte komt in zijn niet zo talrijke woorden steeds terug. Om een serie tekeningen van klassieke beelden te maken liet hij zich zelfs 's nachts opsluiten in de Glyptothek in München. Geen wonder dat de kunst-opwinding die hem beroemd maakte eigenlijk niets voor hem was.

,,Ik moest me destijds terugtrekken uit dat intens publieke leven. Aan zo veel aandacht was ik niet toe. Ik had tijd nodig om alleen te zijn, om werk te maken. Daarom zei ik het groepsleven vaarwel. Ik was erg jong. Het was vaak gezellig, maar Pop Art en ik hoorden niet bij elkaar. Ik zat meestal in een hoek en keek naar mijn eigen binnenkant, terwijl zij druk bezig waren met alledaagse voorwerpen.

,,Dat is het verschil met het werk van iemand als Warhol, die kunst maakte over de uiterlijke wereld. Daarom is er ook een groter publiek voor Warhol dan voor Jim Dine. Mijn onderwerp is klein. Ik heb niet te klagen over de reacties van de kunstwereld en de kritiek hier in Amerika, maar men noemt het al gauw `moeilijk' wat ik maak. Ik vraag me wel eens af wat er zo verdomde moeilijk aan is.''

Judith Brodie, de conservator die de tentoonstelling in Washington heeft samengesteld, noemt het ,,een dramatische, zo niet uitdagende stap van een kunstenaar die zo verweven was met de avantgarde om alle banden te verbreken.'' Dine zelf: ,,Ik had geen keus. Ik moest mijn eigen plan trekken om te overleven, als mens en kunstenaar. Ik ben geboren als kunstenaar. Ik ken maar één kunstje: kunst maken.''

Jim Dine leed aan pleinvrees in zijn eerste jaren buiten New York. Hij bleef intens bezig zichzelf opnieuw uit te vinden, los van de mode. Vandaar zijn antwoord op de vraag wat er de laatste veertig jaar gebeurde met de Amerikaanse beeldende kunst: ,,Er kwamen nieuwe stromingen, minimalisme, performance art, conceptuele kunst. Naarmate ik de openbaarheid meer vermeed verloor ik mijn belangstelling voor al het andere. Ik heb bijna niets gezien. Het is geen gebrek aan nieuwsgierigheid, maar hoe lang ben je hier op aarde? Er is werk aan de winkel. De laatste jaren kijk ik vooral naar fotografie. Ik ben eigenlijk fotograaf geworden. Het is prettig weer een jonge kunstenaar te zijn.''

In 2003 wijdde het Maison Européenne de la Photographie in Parijs een grote tentoonstelling aan Dine. Het museum publiceerde tegelijk vier boeken met zijn nieuwste fotowerk, dat eruit ziet alsof hij bladert door de binnenkant van zijn hersenpan een typering waar hij mee instemt. De foto's hebben een zelfde uitgewassen, doorbewerkt uiterlijk als veel van zijn tekenwerk. Flarden tekst, gedichten en gedachten, zijn steeds terugkerende vogels en de timmerspullen uit de gereedschapswinkel van zijn opa.

,,Ik moest gaan fotograferen. Ik kon niet langer wachten. In Parijs, waar ik tegenwoordig woon, had ik een belangrijke droom over raven en een uil. Het lukte me die via fotografie uit te beelden. Fotografie is de snelste manier om toegang te krijgen tot een beeld of een emotie zonder de directheid te verliezen. Een schilderij vergt soms twee jaar, dan weet ik vaak niet meer wat ik van plan was. Via de foto vang je het idee onmiddellijk. Daarom lijkt fotografie meer op de menselijke geest.''

In een autobiografische verklaring deelt u mee dat u jaren in psychoanalyse bent geweest. Het staat er bijna als waarschuwing: Mijnenveld. Niet Betreden!

,,Zo is het niet bedoeld. Ik heb het genoemd omdat het veel te maken heeft met mijn methode van werken. Het speelde een belangrijke rol bij mijn redding, zodat ik kon blijven werken. Het heeft ook veel te maken met de 20ste eeuw. Ik voelde me zo historisch verbonden met een eeuw die in veel opzichten is gevormd door de psychoanalyse, zoals het ook de eeuw van Einstein en Picasso is geweest.

,,De psychoanalyse gaf me toegang tot mijn eigen onbewuste. Het was alsof ik altijd zwart-wit had geschilderd en iemand me de sleutels tot een kast gaf en zei: ga maar kijken, in deze kast vind je allerlei kleuren verf. De psychoanalyse gaf me een ruimer palet. Neem de badjas, die ik als jonge man al gebruikte om een zelfportret te maken. Ik had een advertentie van een badjas in de krant gezien en ik vond dat hij er uit zag of ik er in zat. Ik wilde een zelfportret tekenen maar mezelf niet letterlijk afbeelden. Dat leek me niet modern, niet nieuw genoeg. Dat vind ik niet meer, maar de badjas gaf me een manier om mijzelf uit te drukken. Sindsdien is het deel gaan uitmaken van mijn visuele vocabulaire. Het is van mij. Alles is een zelfportret, dat is bekend. Als ik nu doorga de badjas te gebruiken dan is het ook een ding geworden om verf op te smeren. Een onderwerp om te schilderen. Ik zou nooit een abstract schilder kunnen zijn. Ik zou wel willen. Ik heb groot respect voor abstracte schilders. Wat mij betreft komt er altijd wat tussen. Ik heb ook behoefte aan de nauwkeurigheid van een herkenbaar object.''

Is het steeds weer afbeelden van zo'n badjas of een hart voor u een vorm van warm spelen, zoals pianist Murray Perahia de dag misschien begint met een chromatische fantasie van Bach?

,,Nee, voor mij is dat tekenen. Ik teken of ets iedere dag. Op die manier herinner ik mezelf er aan te blijven kijken. Zo hou ik mijn vingers soepel. Tekenen is cruciaal. Het is heel moeilijk te liegen met tekenen. Met verf kan je totaal niet weten wat je doet en toch schilderen, laag na laag. Bij tekenen is dat uitgesloten. Tekenen is als een spiegel, iedereen ziet alles, alsof je met je gulp open loopt. Heel gevaarlijk.''

Als de badjas en het hart en de gereedschappen geen vingeroefeningen zijn, wat zijn zij dan wel?

,,Objecten en symbolen die ik heb gebruikt sinds ik een jong kunstenaar was. Ze hebben me goed gediend. Ik heb ontzag voor ze en probeer zo goed mogelijk voor ze te zorgen. Ze nu gebruiken is alsof ik een vlam brandend houd. Ze zijn erg belangrijk voor mij, al verandert hun betekenis naarmate ik ouder word. Hoe precies kan ik niet onder woorden brengen.''

Judith Brodie, de conservator `tekeningen en drukken' van de National Gallery, vertelt dat zij voor de huidige tentoonstelling heeft gekozen voor werk dat Dine zelf `minder toegankelijk' heeft genoemd. ,,Jim Dine is zo veel meer dan badjassen en harten'', zegt Brodie. ,,Hij had zelf waarschijnlijk meer kleur gekozen, en meer uit zijn jeugd. Ik wilde deze tentoonstelling over Jim Dine laten gaan. Voor mij is de essentiële Dine in het tekenwerk te zien.''

Brodie wijst erop dat die tekeningen anders dan Dine's schilderijen - van een grote intimiteit en intensiteit zijn, maar dat hij ze zelf haast als gevonden voorwerpen behandelt. ,,Hij is tegen fijngevoeligheid. Hij wil er voortdurend aan werken. Sommige tekeningen die al waren gefotografeerd voor deze tentoonstelling wilde hij uit de lijst halen om er nog even mee door te gaan. Ik moest echt ingrijpen.''

Pinocchio

Een ander terugkerend Dine-thema komt wel aan bod in de National Gallery: Pinocchio. ,,Ik zag hem voor het eerst toen ik zes was in een Walt Disney film'', zegt Dine. ,,Ik was doodsbang. Veertig jaar geleden vond ik een Pinocchio-pop in een tweedehands-winkel. Die heb ik altijd bij me gehouden. Ik heb het oorspronkelijke Italiaanse boek gelezen en leerde dat hij is gesneden en tot leven gebracht uit de pratende stok van Gepetto, de houtbewerker. En als hij liegt wordt zijn neus langer. Ik vond het indrukwekkend, een goddelijke schepping door een mens. Het doet me altijd aan psychoanalyse denken. Het is een fundamenteel onderwerp.''

Hij is er niet meer zo mee bezig, maar tijdens zijn eerste verkenningsreizen buiten Amerika, ontdekte Dine inspiratiebronnen waar hij veel aan heeft gehad: schilders als Picasso, Munch, Matisse, Cézanne, Giacometti en Rogier Van der Weijden. Als enig kind dat jong zijn moeder verloor stelden die verwantschappen hem gerust. ,,Zij gaven me het gevoel te behoren tot een familie, een lange lijn van kunstenaars. Dat was belangrijk. Dan was je niet helemaal alleen. Je bent als kunstenaar al genoeg op je zelf aangewezen.''

Jim Dine heeft bijna altijd gereisd. Hij heeft nu net gewerkt in Zweden, Israël en Frankrijk. Midden jaren negentig werkte hij een tijd in Berlijn, waar hij is opgenomen in de Akademie der Kunste. Een deel van zijn meest sprekende werk is gemaakt in hotelkamers en andere volstrekt tijdelijke onderkomens. Beeldhouwen doet hij meestal in Walla Walla, in de staat Washington. Hoe houdt hij orde in zijn hoofd zonder zijn eigen gereedschappen, zonder dat ene fijne mesje?

,,Ik behelp me met wat ik bij de hand heb. Ik maak de spreekwoordelijke zijden beurs uit varkensleer. Het is een oud alchemistenidee dat me aanspreekt: neem stront en maak er goud van. Dat opgeruimde atelier bezit ik niet. Ik neem mijn ideeën op m'n rug mee. In Parijs ga ik altijd even in de gereedschapskelder van de Bazar de l'Hôtel de Ville (BHV) wat dingetjes kopen. Dat speciale, fijne mesje heb ik niet. Ik heb het niet nodig want ik heb mijn speciale, fijne handen. Met een spijker kom je ook al een heel eind. Ik ben vaak jaloers op de prachtige, opgeruimde ateliers van mijn collega's. Maar ik zou het er geen dag in uithouden. Je kwast en je verf hoeven niet bijzonder te zijn. Dat is allemaal onzin. Wat bijzonder moet zijn is je idee.''

Rondlopend over de tentoonstelling in Washington kom ik steeds terug bij een houtskooltekening, ingevuld met witte kalk en pastel, 115 bij 79 centimeter. Het portretteert een staande, naakte jonge vrouw en het heet The Skier. Het waarom van de titel is niet evident, maar los daarvan. Het meest opvallende detail is dat de onderkant van het gezicht is weggescheurd. Volgens Dine moet een idee bijzonder zijn. Dat is het vast, maar het openbaart zich niet spontaan.

Voor wie het wil zien, geeft deze tekening een sensatie van agressie. Zo'n weerloze mooie vrouw beroofd van haar mond. Judith Brodie ziet die agressie ook, maar weet dat Dine meestal geen definitieve uitspraken doet over zijn bedoelingen. ,,Hij wil niemand beperken in zijn beleving.'' Prachtig, maar intussen staat die vrouw daar sprakeloos. Bij een latere gelegenheid leg ik de puzzel voor aan Jim Dine. Waarom die weggescheurde mond? Ik mis hem.

Dine lacht een beetje. ,,Het is lang geleden dus ik moet gissen naar de ware toedracht. Ik tekende model naar mijn buurmeisje Jessie in Vermont en ik kon het gezicht maar niet goed krijgen. Wat ik ook probeerde. Ten einde raad scheurde ik het met mond en al eruit. En liet het zo. Ik was eigenlijk wel tevreden met het resultaat. Het hangt nu in het Chicago Art Institute. Dus het zal wel verantwoorde kunst zijn.''

`Drawings of Jim Dine'. Tot en met 1 augustus in de National Gallery of Art in Washington. Inl. www.nga.gov