Achter de voordeur

De Franse scheiding van kerk en staat is volgens filosofen en politici een schokvrij bastion tegen religieus fundamentalisme in Europa. Of is die `scheiding' juist een autoritaire inmenging van de staat in het publieke domein? Opstellen en bronnenuitgaves over de `laïcité'.

Het moet een gedenkwaardige bijeenkomst zijn geweest, op 19 april 1897 in het auditorium van de Société de Géographie te Parijs. Voor een zaal vol journalisten, priesters en katholieke hoogwaardigheidsbekleders zou `Miss Diana Vaughan' optreden, voor het eerst in het openbaar. Tot dan toe had men alleen over haar kunnen lezen, in het bijzonder over haar activiteiten als priesteres van het `Palladisme', de geheime satanscultus binnen de hoogste gelederen van de Vrijmetselarij. Na haar bekering tot het katholicisme, dankzij de wonderbaarlijke tussenkomst van niemand minder dan Jeanne d'Arc, had zij besloten een boekje open te doen over de kwalijke praktijken van de vrijmetselaars.

De kerk ontving haar onthullingen gretig. Had de paus niet zelf per encycliek de Vrijmetselarij met de duivel geassocieerd? Niemand had alleen durven vermoeden dat de connecties zo innig waren. Toch rees er ook twijfel, door de al te wilde verhalen van Miss Vaughan: over een duivel die, veranderd in een krokodil, piano speelde, over een tegenstander wiens hoofd, zonder dat hij eraan stierf, op zijn nek werd omgedraaid, over een geheime smidse in de rots van Gibraltar waarvoor het hellevuur de energie leverde, over Diana's verloving met de demon Asmodeus die haar zowel naar Mars als naar het aardse paradijs had meegenomen. Bestond Diana Vaughan eigenlijk wel echt?

Nee dus. Want op de bewuste avond betrad niet de bekeerde priesteres het podium, maar de bekeerde publicist Léo Taxil (pseudoniem van Gabriel Jogand-Pagès), ooit oprichter van de `Librairie Anti-Cléricale' en auteur van talloze antiklerikale boeken en pamfletten, waaronder een `Marseillaise Anti-Cléricale'. In 1885 was hij op zijn zondige schreden teruggekeerd om zich in de armen van de Moederkerk te werpen, waarna hij zijn pen had geleend als wapen tegen de Derde Republiek en tegen de Vrijmetselarij. Van het bestaan van het `Palladisme', de `Luciferische' maçonnieke geheimcultus, werd bijvoorbeeld voor het eerst melding gemaakt in zijn werkje Y a-t-il des femmes dans la franc-maçonnerie? Het antwoord luidde bevestigend; Miss Vaughan was een van hen, zoals vervolgens in een reeks van lucratieve publicaties nader werd toegelicht.

Op 18 april 1897 kreeg het geschokte en verbijsterde publiek te horen dat het allemaal één grote grap was geweest: het `Palladisme', Diana Vaughan, en ook Taxils eigen `bekering' van twaalf jaar tevoren. Iedereen was erin gestonken, inclusief de paus die de verloren zoon in dankbare audiëntie had ontvangen. Zelf had Taxil zich al die jaren in het geniep een breuk gelachen, en hij ried zijn slachtoffers aan nu zo sportief te zijn om publiekelijk hetzelfde te doen.

De practical joke van Taxil (die het waarschijnlijk vooral om het geld te doen was; door alle partijen te bedienen wist hij een enorm afzetgebied aan te boren) is niet meer dan een vermakelijke voetnoot bij de strijd tussen gelovigen en ongelovigen in Frankrijk oftewel de strijd tussen de `deux France': het Frankrijk van de katholieke kerk met zijn nostalgie naar het ancien régime en het Frankrijk van de vrijzinnige republiek en de traditie van de Franse Revolutie. De strijd duurde, met wisselende intensiteit, de hele negentiende eeuw en werd pas beslecht in 1905, toen de officiële scheiding van kerk en staat de triomf van het republikeinse Frankrijk bezegelde.

Het begrip dat daarbij hoort is laïcité, en dat staat tegenwoordig weer volop in de belangstelling, zowel in Frankrijk als in Nederland, hoewel onze taal er geen goed equivalent voor heeft. Het slaat op de strikte scheiding van kerk en staat, op de neutraliteit van de overheid ten aanzien van religieuze confessies, op de wettelijke gelijkheid van die confessies en op de gewetensvrijheid van de burger. In het verleden richtte het zich tegen de politieke en maatschappelijke claims van de katholieke kerk, nu wordt het in stelling gebracht tegen de al dan niet vermeende gevaren van de islam.

Op aanbeveling van de zogenaamde commissie-Stasi (die zich heeft gebogen over de hedendaagse betekenis van deze laïcité) werd onlangs in Frankrijk een wet aangenomen, die alle `opzichtige' religieuze tekens en symbolen, bijvoorbeeld sluiers, keppeltjes en grote kruizen, in de publieke ruimte en dus ook op de openbare school verbiedt – een voorbeeld dat volgens sommigen (om ongewenste `demonisering' te voorkomen zal ik geen namen noemen) ook in Nederland navolging verdient.

De vraag is natuurlijk of iets dat in het ene land geschikt kan zijn dat ook is in het andere land. Ondanks de Europese eenwording blijven de nationale verschillen groot. Is de typisch Franse laïcité probleemloos naar ons land te importeren? De commissie-Stasi spreekt in haar rapport over de `historische' wording van het `idéal laïque'. Het gaat uitdrukkelijk niet om een `tijdloze waarde, losgekoppeld van de samenleving en haar veranderingen'. Om de betekenis van de laïcité ten volle te vatten zul je dus iets van de geschiedenis ervan moeten weten.

De literatuur over het onderwerp is inmiddels amper nog te overzien. Vooral sinds de eerste hoofddoekjes-affaire zich in 1989 voordeed, hebben de Franse publicisten zich massaal op de laïcité gestort. Voor de beginner zijn er informatieve deeltjes in de encyclopedie in pocket-vorm `Que sais-je?', zoals La laïcité (1996) van Guy Haarscher en Histoire de la laïcité en France (2000) van Jean Baubérot, allebei dit jaar in bijgewerkte versies herdrukt. En voor de gevorderden zijn er de recente filosofische studies van Henri Pena-Ruiz, lid van de commissie-Stasi, bijvoorbeeld Qu'est-ce que la laïcité? en de door hem samengestelde anthologie La laïcité, die een keur van bronteksten (van Plato tot en met Jaurès) over de materie bijeenbrengt.

Léo Taxil komt in geen van deze boeken voor. Voor de huidige pleitbezorgers van de laïcité is hij vast een ietwat beschamende bondgenoot. Hetzelfde geldt wellicht voor de visionaire historici Jules Michelet en Edgar Quinet, die evenmin worden genoemd, terwijl zij toch in de vroege jaren veertig van de negentiende eeuw in felle botsing zijn gekomen met de kerk over de vrijheid van het onderwijs. Beiden doceerden destijds aan het roemruchte Collège de France en pareerden daar de klerikale aanvallen op het `universitaire monopolie' inzake het hoger en secundair onderwijs. Hoe? Door de jezuïeten van een duistere samenzwering te beschuldigen.

Het was niet voor het eerst, en het zou niet voor het laatst zijn. Net zoals Taxil de Vrijmetselaars de schuld gaf (en een populaire antisemiet als Édouard Drumont de joden), zo werden tijdens de Dreyfus-affaire, die zich vrijwel gelijktijdig met Taxils Diana Vaughanhoax afspeelde, door sommige Dreyfusards de jezuïeten in de beklaagdenbank geplaatst. Complottheorieën alom. En niet eens helemaal ten onrechte, want in de jaren veertig ijverden de jezuïeten inderdaad tegen het `universitaire monopolie', terwijl de Vrijmetselaars in het fin-de-siècle tot de meest fanatieke antiklerikale republikeinen behoorden. De regering Combes, die de aanzet gaf tot de scheiding van kerk en staat in 1905, kwam ten val, nadat gebleken was dat promoties in het leger geschiedden op basis van door de Vrijmetselarij aangelegde `fiches' over het Franse officierskorps.

Het is goed je te realiseren onder wat voor kleinzielige, absurde, zotte en in elk geval complexe historische omstandigheden een ideaal als dat van de laïcité gestalte heeft gekregen. Als theorie en juridische constructie ziet het er al gauw abstract en zuiver uit, an offer one cannot refuse, maar de concrete werkelijkheid is veel minder idealistisch en transparant geweest.

Niet anders was het met de voorgeschiedenis, die Haarscher en Baubérot al laten beginnen met het dertiende-eeuwse verzet van Filips de Schone tegen de pauselijke hegemonie. De Franse `Gallicaanse' traditie (waarbij het gezag over de nationale kerk toeviel aan de vorst) zou dus ten grondslag hebben gelegen aan de latere scheiding van kerk en staat. Maar evengoed valt er te denken aan het Edict van Nantes (1598), dat tolerantie voor niet-katholieke Fransen garandeerde, of aan de Voltairiaanse Verlichting, die de strijd aanbond met de wereldlijke claims van de kerk (`L'Infâme'), uit naam van redelijkheid en tolerantie.

De beslissende gebeurtenis was de Franse Revolutie, die weliswaar geen scheiding van kerk en staat bracht, maar wel – voor het eerst in Frankrijk – de vrijheid van godsdienst garandeerde. Aan het verbond tussen Troon en Altaar kwam een einde, al ontwikkelde de Revolutie zelf allerlei heel en half seculiere vormen van religie, zoals de cultus van de Rede en die van het Opperwezen. Van een religieus neutrale staat was geen sprake, net zo min als tijdens het Napoleontische Empire. Bonaparte herstelde in 1801 de door de Revolutie verbroken betrekkingen met het Vaticaan, maar het Concordaat (dat in feite tot 1905 van kracht zou blijven) behelsde allerminst een scheiding van kerk en staat. In zekere zin werd de Gallicaanse traditie voortgezet, zij het zonder exclusivisme (ook niet-katholieken werden getolereerd), waarbij de staat de kerk domineerde.

In de loop van de negentiende eeuw wist de kerk, vooral tijdens de Restauratie en het Second Empire, steeds meer verloren terrein terug te winnen. De Fransen bleven toch in meerderheid, hoewel niet fanatiek, katholiek, en in het bijzonder het lager onderwijs lieten zij graag over aan de geestelijkheid. Pas tijdens de Derde Republiek kwam een serieuze tegenbeweging op gang, die leidde tot een ware strijd om de lagere scholen. Hoe kon de bevolking ooit worden opgevoed tot verantwoordelijke staatsburgers, zolang de antirepublikeinse geestelijkheid de educatie bepaalde?

Onder Jules Ferry als minister van Onderwijs werd hiermee ernst gemaakt, vooralsnog op terughoudende, pragmatische wijze. Ferry legde de nadruk op de neutraliteit van het onderwijs. Naderhand werd dat niet meer voldoende geacht: op school moesten juist nadrukkelijk de republikeinse waarden worden bijgebracht. Ferdinand Buisson, voorzitter van de commissie die weldra de scheiding van kerk en staat ging voorbereiden, vond dat er gekozen moest worden: tussen een katholieke of een rationalistische school. De neutrale tussenweg bestond niet meer voor hem.

Dit dilemma hangt nog altijd levensgroot boven de kwestie van de laïcité. In hoeverre vertegenwoordigt de neutraliteit van de laïcité een eigen waarde, die desnoods ook tegen de godsdienst kan worden ingezet? En vormt het rationalisme of positivisme, vaak met de laïcité verbonden, niet een eigen, seculiere vorm van religiositeit? Profeten als Michelet of Comte (de vader van het `positivisme') spraken steeds uit naam van een seculiere, `humanitaire' religie. Van neutraliteit kon in dat geval geen sprake zijn.

De concurrentie verklaart mede de felheid waarmee de clerus werd aangepakt, toen de voorstanders van de laïcité eenmaal hadden gewonnen. Onmiddellijk na de Dreyfus-affaire moesten de katholieke congregaties, vooral actief in het lager onderwijs, het ontgelden. Hun bestaan werd afhankelijk gesteld van een goedkeuring door het parlement. Het bezit van de congregaties werd geconfisqueerd, duizenden scholen werden gesloten en nog veel meer geestelijken gingen in ballingschap – maatregelen en gevolgen, waarbij de huidige dreigementen tegen weerspannige moslims in het niet zinken.

De daarop volgende regering van Emile Combes, zelf overigens geen atheïst maar naar eigen zeggen een `spiritualiste fervent', was zo mogelijk nog antiklerikaler en kwam voor het eerst met een wetsvoorstel inzake de scheiding van kerk en staat. De wet die op 9 december 1905 werd aangenomen was niet die van Combes, maar een aanzienlijk milder, liberaler geheel, vreemd genoeg afkomstig uit de koker van socialisten als Aristide Briand en Jean Jaurès. Voor de katholieke kerk bleef het een bittere pil: de staat hield op de clerus te betalen, kerkgebouwen en ander onroerend goed bleef of kwam in handen van de staat (die er niet altijd goed voor zorgde, getuige Marcel Prousts klacht over `la mort des cathédrales'), het geloof werd definitief een privé-aangelegenheid.

Dat de vrijheid van godsdienst, die door dezelfde wet werd geregeld, ook een voordeel kon zijn, werd in 1905 door de meeste katholieken niet ingezien. Een jaar later veroordeelde de paus de Franse scheiding van kerk en staat. De animositeit bleef bestaan tot 1914, toen de Duitse oorlogsverklaring een Union sacrée in het leven riep, waaraan zowel katholieken als republikeinen deelnamen. Zelfs de priesters die de seculiere staat in ballingschap had gedreven, keerden terug om het vaderland te verdedigen.

Daarvan is het conflict tussen de `deux France' nooit meer hersteld: na de Eerste Wereldoorlog werden de (in 1904 verbroken) diplomatieke banden met het Vaticaan weer aangehaald en na de Tweede Wereldoorlog bleek de Franse staat zelfs bereid (via de wet Debré van 1959) om het katholieke privé-onderwijs voor een belangrijk deel te subsidiëren. De voortgeschreden secularisering deed vervolgens de rest – totdat de islam in Frankrijk, net als in de meeste andere landen van de Europese Unie, een probleem werd.

Het is goed om te beseffen dat de Franse laïcité in het onderwijs alleen het openbare onderwijs betreft. Daarnaast bleef altijd de mogelijkheid van privé-onderwijs. Ook de commissie-Stasi stelt nadrukkelijk dat er tegen islamitische privé-scholen geen enkel juridisch bezwaar bestaat. Ziedaar een belangrijk verschil met de situatie in Nederland, waar het bijzonder onderwijs sinds 1917 is gelijkgesteld aan het openbaar onderwijs, als gevolg van een geheel anders verlopen geschiedenis.

Ook in Nederland bestaat de facto een scheiding van kerk en staat, al is deze niet zoals in Frankrijk (sinds 1946) opgenomen in de grondwet. De secularisering heeft bovendien ook bij ons de scherpe kantjes van een eventueel conflict tussen staat en religie afgeslepen, zoals blijkt uit de drastisch verminderde betekenis van de verzuiling. In beide landen zijn het de vele islamitische nieuwkomers die roet in het eten strooien. Van Frankrijk hebben zij een religieus pluriforme natie gemaakt (tot dusver kende het katholicisme nauwelijks serieuze concurrentie) en in Nederland (waar van oudsher grote concurrerende religies hebben bestaan – vandaar het stelsel van de verzuiling) hebben zij de autochtone burgers ruw uit hun ontzuilde, geseculariseerde sluimer gewekt.

Frankrijk en Nederland zijn wat dat betreft meer op elkaar gaan lijken. Is dat voldoende om overname van de nu gekozen Franse oplossing te rechtvaardigen? Sommigen menen van wel. Maar de in beide landen veranderde situatie wist niet meteen het verschil in geschiedenis uit en er bestaat ook nog zoiets als historische zwaartekracht, die het heden bindt aan het verleden waaruit het is voortgekomen. Tradities zijn hardnekkiger dan we vaak denken, en misschien is het verstandiger daarin een eigen oplossing te zoeken, bijvoorbeeld door het verzuilingssysteem voor de gelegenheid weer even – zij het uiteraard in aangepaste vorm – uit de mottenballen te halen. Niet omdat het theoretisch de beste uitweg is, maar omdat het – ook heel Nederlands – het meest pragmatisch zou kunnen zijn.

Met de Franse versie van laïcité zouden we immers een aantal niet geringe problemen importeren, met als belangrijkste probleem: een moeilijk oplosbare spanning tussen gewetensvrijheid of vrijheid van godsdienst en de krampachtige noodzaak om de publieke ruimte in elk opzicht seculier te houden. De Fransen (zie de boeken van Henri Pena-Ruiz) redden zich eruit door een beroep te doen op het `pacte républicain', waarvan de laïcité onvervreemdbaar deel zou uitmaken. De Franse republiek is tenslotte van meet af aan een product van de Verlichting geweest, iets wat van de Nederlandse staat – al was het maar op grond van onze rare monarchie – veel minder makkelijk kan worden gezegd.

De Fransen lukt het heel goed om de universele pretenties van hun republiek te verbinden met een ongegeneerd nationalisme (ze doen al bijna twee eeuwen niet anders), terwijl die pretenties in Nederland beter verruild kunnen worden voor de historisch gemotiveerde verzekering dat zo nu eenmaal onze manieren zijn. En dat wie Nederlander wil zijn of worden daarmee terdege rekening heeft te houden. Het doel (behoud en zonodig versterking van de bestaande scheiding van kerk en staat) kan in beide gevallen hetzelfde zijn, maar dat hoeft niet noodzakelijkerwijs te gelden voor de weg om het te bereiken.

Guy Haarscher: La laïcité. Presses Universitaires de France, 126 blz. €12,95

Jean Baubérot: Histoire de la laïcité en France. Presses Universitaires de France, 127 blz. €12,95

Henri Pena-Ruiz: Qu'est-ce que la laïcité? Folio-Actuel. Gallimard. 347 blz. €12,95.

Henri Pena-Ruiz: La laïcité. Textes choisis. Corpus. GF Flammarion. 255 blz. €12,95