Tell, tell, tjiep, sjielp

Precies een eeuw geleden verscheen `Het Vogeljaar' van Jac. P. Thijsse. Deze baanbrekende vogelstudie is nog steeds het lezen waard, al was het maar om de wijze waarop de auteur vogelgeluiden vastlegde.

Vogels hebben een uitgebreider vocabulaire dan je misschien denkt. `Tellellellelrelel' is in mussentaal: pas op, groot gevaar! `Tell, tell, tjiep, sjielp' duidt op een flinke ruzie. En voor zijn lokroepjes heeft de mus weer andere noten op zijn zang. De man die daar reeds een eeuw geleden studie van maakte was Jac. P. Thijsse. Zijn boek Het Vogeljaar geldt als het startpunt van het ornithologisch onderzoek in Nederland. Nooit eerder was een dergelijk werk in de Nederlandse taal uitgebracht, nooit eerder een boek dat op zo'n aantrekkelijke en eenvoudige wijze informatie bood over de vogels in ons land.

`Het Vogeljaar' verschijnt in 1904 op het juiste moment. De belangstelling voor de natuur is in die tijd sterk groeiend en de onderwijzer/veldbioloog Thijsse geniet al enige faam door de reeks populair-wetenschappelijke boekjes die hij samen met zijn collega Eli Heimans heeft gepubliceerd. Met zijn vogelboek vestigt hij voorgoed zijn reputatie. In later jaren zal zijn roem nog stijgen door de Verkade-albums.

In `Het Vogeljaar' beschrijft Thijsse de meest algemene vogels die je in de loop van het jaar kunt zien. Hij doet dat op onnavolgbare wijze. Geen vakjargon of dorre feiten en ook geen sentimentele prietpraat, Thijsse maakt de lezer eigenlijk alleen maar nieuwsgierig. Zelf erop uit trekken is de boodschap. Vogels kijken is volgens hem ook ,,gemakkelijk genoeg'', want ,,van alle dieren, die in 't veld leven, zijn de vogels het minst schuw''.

`Het Vogeljaar' begint met de `musschen' en de `meezen' en komt via de zomergasten onder de vogels weer terug bij de wintervogels. Thijsse prent de lezers in om dadelijk te oefenen op het waarnemen van details, zoals de dikte van de snavel en de kleur van de veren. Tussendoor vermaakt hij hen met opmerkingen over het gedrag en over de zang van vogels. Van veel vogels legt hij de geluiden in notenschrift vast.

Het publiek is verrukt. Het boek dat aanvankelijk in losse afleveringen verschijnt vindt gretig aftrek. Dat komt niet alleen door de tekst van Thijsse, maar ook door de prachtige plaatjes. Uitgever Versluys te Amsterdam heeft de uitgave royaal laten illustreren. Met tekeningen van de schrijver zelf en van kunstenaars als Jan van Oort, maar ook heel modern voor die tijd met foto's. De grootste aantrekkingskracht vormen echter de veertien gekleurde litho's, de meeste van de beroemde schilder J.G. Keulemans.

Door `Het Vogeljaar' neemt de belangstelling voor vogels in korte tijd sterk toe. Bij de tweede druk uit 1913 breidt Thijsse zijn boek daarom uit tot vrijwel alle in Nederland (op dat moment bekende) voorkomende soorten. Het verschijnt in een wat kleiner formaat (maar wel veel dikker) en nu met gekleurde platen van Van Oort. Ook alle daarop volgende edities wisselen sterk van uiterlijk. De zevende en laatste druk verschijnt in 1972 met een aantal gekleurde platen van Theo van Hoytema. Tezamen geven de edities van `Het Vogeljaar' een aardig beeld van de ontwikkelingen op het gebied van illustratiekunst- en techniek.

Terwijl `Het Vogeljaar' wat betreft uiterlijk sterk varieert, verandert er weinig aan de tekst. Afgezien van informatie over nieuwkomers onder de vogels, blijft de inhoud vrijwel gelijk; ook na de dood van Thijsse, in januari 1945. De spelling wordt aangepast, maar voor het overige voelt niemand zich geroepen iets aan de tekst te veranderen. Ondanks het enigszins archaïsch woordgebruik is het boek zelfs nu nog alleszins het lezen waard.

Door het werk van Thijsse groeide niet alleen de interesse voor het kijken naar vogels, maar ook voor vogelbescherming. Het jagen op vogels met geweer en vangnet werd geleidelijk vervangen door de jacht met de kijker en de camera. De vetbol kwam in de plaats van de dodelijke lijmstok. Thijsse legde tevens de basis voor de studie naar de verspreiding en het gedrag van vogels. Met kleine, haast terloopse opmerkingen wist hij anderen te stimuleren tot onderzoek.

Veel jongeren uit het begin van de vorige eeuw werden sterk door Thijsse geïnspireerd. Een van hen, Niko Tinbergen, maakte van ethologie, het gedrag van vogels, zijn levenswerk. Voor zijn onderzoek ontving hij de Nobelprijs.

Vergeleken met een eeuw geleden gaat het niet meer zo best met de huismus in Nederland. Andere vogelsoorten zie je daarentegen weer steeds vaker. Voor vogelliefhebbers valt er heus nog wel wat te genieten. Zeker in deze tijd van het jaar waarin koolmees en zanglijster opgewonden en luidkeels van hun aanwezigheid blijk geven. Wat zouden ze eigenlijk zeggen?